verbindt wie mee wil blijven bewegen


Annechien, ben je geworden wie je bent?

Ik zie in de kindertijd allerlei aanwijzingen, openlijk of verborgen. Er tekent zich een weg af, die ik in de toekomst zal gaan.

Beroep

Annechien is senior adviseur bij BVS schooladvies. Ze begeleidt leraren in het onderwijs, verzorgt studiedagen met colleges van vrijescholen in Nederland en doet onderzoek. Haar expertise is onder andere gericht op het taalonderwijs. Ze ontwikkelt leerlijnen taal en geeft diverse cursussen.

Hoogbegaafdheid, sociaal emotionele ontwikkeling, regenboogtrainingen, handelingsgericht werken en kunstzinnige vakken behoren tot haar werkgebied.

Ik heb, als collega van Annechien, haar nog wel eens geraadpleegd. Dan ging het altijd over taal, over beelden, over grammatica en het onderwijs daarin. In de voorbereiding van dit interview komen bij mij dan de vragen op “Heb je je op een of andere manier voorgenomen met taal iets te gaan doen in je leven?” en “Hoe kwam taal op je pad?” en “Had je daar ook anderen voor nodig?”

Annechien is geboren in Amsterdam in 1962. Ze was oudste in een gezin met na haar nog twee broers en een zus. Het was een druk en groot gezin waar vaak vriendjes en vriendinnetjes, of volwassenen die dat nodig hadden  een tijdje bij aansloten. In de loop van de tijd trok het gezin naar een drive-in woning in Buitenveldert, dichtbij het Amsterdamse bos.

“Iedereen was er welkom. In de zomer reden we paard en bonden we ’s avonds even onze IJslanders aan de lantaarnpalen om in huis aan tafel mee te kunnen eten”.

Peuter / Kleuter

Ik heb een hele vroege herinnering wat taal betreft: ik was twee jaar, of misschien zelfs nog niet eens twee, toen ik onder een kast zat te wiegen en te neuriën. Ik maak geluid, klanken en opeens stokt het en realiseer ik me: dit heeft geen betekenis, het is alleen maar geluid.

In dit bewustzijn zat tegelijkertijd het gevoel van verlies. Er wordt me iets afgenomen. Een grauwsluier wordt ergens van afgehaald, waar het kleine kind nog zo van genieten kon. Ik genoot van die klanken.

Op dat moment realiseerde ik me ‘taal betekent altijd iets’. Taal uitspreken is niet  alleen maar klanken produceren. Vanaf dat moment heb ik veel herinneringen die gaan over de betekenis van taal. Hier ontwaakte duidelijk een vermogen waar ik nu nog uit put.

Het is een heel vroege herinnering. Eigenlijk ‘kan’ zoiets helemaal niet.

Maar omdat de plek zo duidelijk is (die kast hadden we in ons volgende huis namelijk niet meer) moet het wel uit die tijd stammen.

Ik ging naar het peutergroepje op de Parnassusweg. Mijn moeder, Anneke Wijnbergh, ging daar helpen en zij werd geraakt door de manier van kinderen opvangen en begeleiden.

In de kleuterklas kwam ik bij Lyda Brokken en toen Lyda een tijdje ziek was, bij Hennie Zweers.

Ik herinner me dat ik me op de eerste dag voornam “Ik ga niet huilen, als mamma weggaat; ik wil sterk zijn”. Het was een soort zelfopvoeding, maar ook weer heel vroeg, op jonge leeftijd. Ik was ook wel trots en wilde me groot houden. Juffie voelde dat gelukkig aan en nam me op schoot toen mamma uit beeld was. En dan mocht er wel even een traantje komen. Ik denk dat het zo was, ik weet het niet zeker.

Het boekje ‘Kippetje Tok’ was me op het lijf geschreven. Ik kende het uit het hoofd: “Kippetje Tok vindt op een dag een tarwekorrel en wil hem gaan planten, maar niemand wil hem helpen. De kat niet, het varken niet, de eend niet en ook de gans niet. “Dan doe ik het zelf”, zei het Kippetje en ze deed het ook”. Die laatste zin … dat wás ik. Ik kan nog navoelen hoe heerlijk dat ritme van die woorden samenvalt met de tekst.

Liefde voor tekst en het ontluiken van karaktertrekken gaan hier samen.

Ik was ook gericht op harmonie. Algehele harmonie. Zo kon ik het me aantrekken als kinderen woorden gebruikten die niet mochten. Ik was van slag, toen oudere kleuters zongen “Sinterklaas is jarig, zet hem op de pot”.

Dat was niet goed. Dat mocht niet. Hoe moest dat nu?

Wat gaat er met deze kinderen gebeuren als Sint Nicolaas straks komt?

Ik maakte me daar zorgen om. Ik heb er wel iets van gezegd, maar ze luisterden niet. Ik was klein.

Ik maakte als kleuter al onderscheid tussen waar en onwaar. Er was een heksenhuisje aan de rand van het Vondelpark, een holte in een boom, waar je als kind in kon. Het was spannend, maar het was niet wáár.

Sprookjes, die waren waar!

Schooltijd; onderbouw

Het ‘zelf opvoeden’ ging door. Ik herinner me dat er een soort voornemen was rond mijn 10e levensjaar, dat ik niet meer wilde dromen. Ik wilde wakker zijn voor de wereld om mij heen. Ik oefende ’s avonds de verzen die ik overdag op school had geleerd. Ken ik ze nog? Ben ik wakker? Droom ik niet weg?

De vierde klas was voor mij een intense beleving. De verhalen uit de Edda, de Noordse mythologie, spraken mij direct aan. Het was een inslag, alsof ik het beeld herkende. Alsof ik innerlijk het hele verhaal al kende, maar het nu voor het eerst hoorde vertellen.

Ik ‘wist’ ook meteen: zo is het in oude tijden gegaan.

Ik wás de Yggdrasil. Ik las over de Yggdrasil, ik tekende de Yggdrasil, ook voor klasgenoten en toen mijn moeder mij vroeg wat ik met carnaval zou aantrekken, zei ik: “Ik ga als Yggdrasil”. Ik weet nog dat het helemaal niet handig was. Ik kon me amper bewegen in die boomkoker.

Ik maakte in de zesde klas een werkstuk over IJsland en ik heb nu achter mijn huis in Ommen IJslandse paarden lopen. Dat heeft die vertelstof allemaal gedaan.

Ik las veel in de vierde klas. Ik kon en kan heel snel lezen, maar ik onthield ook wat ik gelezen had. Er zijn boeken die ik in die tijd wel vier keer heb gelezen. Ik probeerde de beginzinnen uit mijn hoofd te leren.

Op een gegeven moment had ik de bibliotheek uit. Ik mocht een niveau hoger gaan lezen, maar die boeken raakten ook op. Toen haalde ik boeken uit de bibliotheek van mijn ouders, maar Turks Fruit was toch echt niet de bedoeling. Mijn ouders bedachten toen dat ik boekengeld kreeg i.p.v. kleedgeld. Ik mocht boeken kopen, maar de opdracht was, dat ik dan ook moest zorgen voor de anderen uit het gezin.

Door dat vele lezen was ik wel veel op mezelf. Het werd door mijn ouders waargenomen en het was één van de redenen waarom ik een paard kreeg. Dan moest ik ergens voor zorgen.

Je kunt niet zeggen dat ik nooit buiten kwam. Ik was graag buiten, speelde met Jeltje, mijn beste vriendin, waar ik overigens nog steeds veel contact mee heb. We waren graag in de natuur, gingen samen naar de manege, waren graag met dieren. Dat is ook niet meer weggegaan.

Ik ben nog steeds omringd door dieren, heb een aantal IJslandse paarden, een hond, vijf katten en een ara.

Jeltje en ik waren ondernemend. We speelden in de duinen ‘De brief voor de koning’ na. We leidden als vijfde klassers op school nieuwe leraren rond die de school wilden leren kennen.

Ondernemend is één, onbezonnen is twee

Met vriendin Eva en vriend Frank ben ik in de vijfde klas naar juffie gefietst.

In Hilversum! Onderweg bleek dat ik daar nou niet de meest geschikte fiets voor had. En motorisch was ik niet echt handig. Eva kon veel beter fietsen. Maar we gingen, ik had thuis een briefje achtergelaten: “We zijn naar juffie”. Mijn ouders moeten daar toch wel van geschrokken zijn. Ze kwamen ons met een bestelbusje ophalen.

Vanaf de tiende klas ben ik, ook weer vaak samen met Jeltje, actief in de Internationale bijeenkomsten van vrijeschoolleerlingen. Door deze conferenties die in de herfst plaatsvonden, kwamen we op diverse plekken in Europa. Een van die bijeenkomsten was in Järna, Zweden. Daar had ik een bijzondere ontmoeting met Per Alböm. Ik tekende in op de orkestgroep met mijn dwarsfluit en mijn panfluit. We speelden van blad en improviseerden.

Per zei me opeens: “Je draagt een uitzonderlijke muzikaliteit in je. Daar moet je wel wat mee doen”. Hij had iets gehoord. Die woorden raakten me diep.

Ik ben sindsdien nooit meer zonder muziek geweest, heb in diverse orkesten gespeeld, heb op school met het kinderkoor aan allerlei producties meegewerkt. De harmonie, het verbindende van de muziek bleek een taal die ook bij mij hoort.

Ik ben, na ampele overwegingen, toch niet naar het conservatorium gegaan, heb nog getwijfeld: Nederlands studeren? Natuur- en scheikunde, tóch arts worden? Het is, na drie starts, de Vrije Pedagogische Academie geworden in Zeist. Ik werd juf. Jammer overigens dat de jonge mensen van nu zo rond hun twintigste dat niet meer mogen. Dwalen, twijfelen, aan studies beginnen en toch weer een andere kiezen. Ik heb daar voor mezelf een goed gevoel over. Om in de strekking van dit interview te blijven: ik was daar heel erg aan het ‘worden’.

Ik vind, dat ik goede leraren heb gehad in mijn schooltijd in Amsterdam: Lyda Brokken, Noor Roes, Aernout Henny, Christine Cornelius, Reiny Jobse en Tjeerd de Boer om er maar een paar te noemen. Ze hebben me gezien.

De Griekse mythologie werd in het voortgezet onderwijs behandeld.

Ik dreigde weg te zakken, verloor de interesse en plotseling komt Christine Cornelius naar me toe en vraagt: “Weet je dat er van de Odyssee drie versies bestaan?” Ze geeft me boeken mee en heeft precies datgene gevonden wat mij op dat moment boeide. Ik was er weer helemaal bij.

In de elfde klas kwam Hugo Pronk met het Parcivalverhaal. Hij vertelde de eerste dag en zei bij het verlaten van de klas: “Morgen mag jij verder vertellen”. Ik vond het fantastisch, heb er heel hard aan gewerkt. Het was de juiste uitdaging op het juiste moment. De derde dag had ik koorts.

Slot

“Annechien, ben je geworden wie je bent?”

De dag voordat jij kwam, heb ik schriften, tekeningen foto’s en getuigschriften gepakt uit mijn schooltijd. Ik zie in de kindertijd allerlei aanwijzingen en aankondigingen. Openlijk of verborgen. Er wordt me een richting gewezen en die ben ik ook gegaan.

Ik heb ongeveer veertien jaar als leerling op de vrijeschool gezeten. Ik ben veertien jaar leraar geweest in de onderbouw. Ik werk nu ongeveer veertien jaar bij de Begeleidingsdienst.

Klaar? Nee. Ik denk dat er nog een taaladviseurschap voor mij mogelijk is.

Dat zou ik nog wel verder willen ontwikkelen. Ik heb leerlijnen voor taal en leesonderwijs geschreven en wil mensen helpen bij het zich eigen maken daarvan. Ik wil hen steun bieden om ze te kunnen volgen, maar ook moed inspreken om er van af te wijken.

Geschreven door Jan Alfrink

Gepubliceerd in Vrije Opvoedkunst, zomer-editie 2017 (Sint Jan)


Schrijf je in voor onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van actualiteiten uit de regio.

Selecteer plaatsen

Meer achtergronden

Alle achtergronden 

Meer activiteiten

    Volledige agenda