verbindt wie mee wil blijven bewegen


Carnaval

Voorzichtig dient het leven zich aan, in sneeuwklokjes, in ontluikende krokussen en in de eerste kieviten boven de weilanden. Maar het meeste leven houdt zich nog verborgen. Het is immers nog winter.

Carnaval wordt in Nederland voornamelijk onder de grote rivieren gevierd. Met name in Noord-Brabant en Limburg is het volksfeest nummer één, met voorbereidingen voor de bont opgetuigde praalwagens die al in september beginnen. Je kunt zeggen dat het daar massaal leeft, hoewel andere regio’s dit feest tegenwoordig ook steeds meer omarmen.

Het is een oud traditioneel feest dat in katholieke landen uitbundig wordt beleefd en ondergaan. Denk aan een stad als Rio de Janeiro die jaarlijks honderdduizenden carnavalstoeristen trekt.

Gaan we ver terug in de tijd, dan zien we dat een dergelijk feest al in de Bronstijd werd gevierd, getuige Zweedse rotstekeningen uit 1600 voor Christus. Ook de Grieken vierden het, zo’n 500 jaar voor het begin van onze jaartelling, in hun grote Dionysusfeesten begin maart. Deze feesten bestonden uit gezongen opvoeringen op toneel, vrolijke optochten door de straten van de steden, vol dans, wijn en gezang. Dionysus was de god van de wijnbouw en fruitteelt. Het begin van de wijnbouw wordt gezien als de eerste vorm van beschaving. Het bracht mensen tot elkaar.

Kenmerk tijdens zo’n optocht was dat men zich verkleedde, een masker droeg, om zodoende het doorgeefluik te kunnen zijn van de godenwereld. De mens zelf moest hierbij op de achtergrond blijven. De goddelijke wereld moest via de ‘doorgang’ mens de aarde uit haar winterslaap tot nieuw leven wekken.

De Romeinen vierden op 1 maart zowel een nieuwjaars- als een lentefeest. Maart was toen de eerste maand van het jaar. Dit kun je nog zien aan de namen september tot en met december (septem = zeven, octo = acht, enzovoort). De Romeinen namen de Griekse traditie over en lieten tijdens de optochten het beeld van Dionysus in een schip op wielen langs de menigte rijden. Dit vormde het ontstaan van de ‘scheepswagen’, de ‘carrus navalis’, waaruit het woord carnaval waarschijnlijk is samengetrokken. Echter, waar in de Griekse beleving sprake was van een dienstbaar zijn aan de goden, daar verdween Dionysus bij de Romeinen al gauw naar de achtergrond en werd carnaval tot het grote zottenfeest zoals wij dat nu nog kennen. De verkleedkleren en maskers dienden niet langer om de bescheidenheid van de mens uit te drukken, maar om bizarre en lachwekkende gestaltes te kunnen vertonen. Zo verwerd het oorspronkelijk godsdienstige carnaval tot een ogenschijnlijk weinig verheven volksvermaak.

De middeleeuwse kerk heeft geprobeerd carnaval weer godsdienstig te maken door dit feest te koppelen aan de vastentijd, de periode van onthouding die geldt als voorbereiding op het feest van Pasen. Dikke dinsdag heette in sommige streken de dinsdag van carnaval, gevolgd door Aswoensdag, de eerste dag van de Vastentijd.

Deze traditie is behouden gebleven, behalve dan dat carnaval met ruim drie dagen is uitgebreid, zodat nu een heel lang weekeinde ‘doorgehaald’ kan worden.

Bij het bepalen van de datum van carnaval wordt er gerekend vanuit Eerste Paasdag. Paaszondag is, volgens het Concilie van Nicea (325 n. Chr.), de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente (21 maart). De Vastentijd begint veertig dagen voor Eerste Paasdag, waarbij de zes zondagen in deze periode niet als vastendag meetellen. De eerste dag van carnaval valt dan zes weken voor Eerste Paasdag. Carnaval begint officieel op zondag.

In de maand februari neemt het aantal uren zon neemt snel toe. Voorzichtig dient het leven zich aan, in sneeuwklokjes, in ontluikende krokussen en in de eerste kieviten boven de weilanden. Maar het meeste leven houdt zich nog verborgen. Het is immers nog winter.

Dit brengt een stille angst met zich mee. Zal het nieuwe leven uitkomen en gaan we een vruchtbaar jaar tegemoet, of zullen de levenskrachten niet sterk genoeg zijn om door de aardkorst heen te breken? In februari begint dit zichtbaar te worden. Het is een spannende periode in de natuur, waarbij een eerste glimp merkbaar is van de strijd die in de week voor Pasen zo’n rol zal spelen.

De naar boven gerichte kiemkracht en de naar beneden de grond in gerichte natuur kruisen elkaar hier. Het sterkst zien we dit bij de bomen. In februari, de sprokkelmaand, verliezen zij hun dode takken om zodoende ruimte te geven aan de groei van nieuwe loten en twijgjes. Dit is een typerend beeld: het loslaten van het oude, het dode, om ruimte te maken voor het nieuwe leven. Dit beeld herkennen we bij carnaval.

Om dit zichtbaar te maken, keren we even terug naar de oorsprong van het carnavalsfeest.

De maskers zoals de Griekse en Romeinse toneelspelers die droegen, heetten in het Latijn personae. Dat is afgeleid van het woord per-sonare, wat ‘erdoorheen klinken’ betekent. Ons woord persoon is hiervan afkomstig, en aldus te herleiden tot een masker, een masker dat vroeger het geestelijke leven door de mens heen kon laten klinken. Men beleefde de eigen identiteit toen als afkomstig van de goden.

Tegelijk was dit leven aan gene zijde het rijk waar de gestorvenen naartoe gingen, het dodenrijk. Het masker dat men opzette, fungeerde daardoor tevens als dodenmasker. Het dragen van zo’n dodenmasker gaf de mens bij uitstek de mogelijkheid zich met ‘het dode in zichzelf’ uiteen te zetten. Door zich te verkleden, te dansen, te springen, gek te doen, schudde de mens in zijn beleving de angst voor de dood van zich af.

De huidige carnavalsvierders doen in feite niet anders. Door te feesten schudden ze hun eigen  ‘dode takken’ eraf en creëren zo de ruimte om weer fris en nieuw het leven op te pakken.

Die ‘dode takken’ zijn in feite onze verharde buitenkanten. Die hebben we allemaal, carnavalsvierder of niet. Het is belangrijk dat te erkennen. Het gevaar van een al te serieus leven is dat men zozeer opgaat in het eigen gelijk dat men zich verschanst achter de eigen oordelen en vooroordelen. De buitenkant is dan een pantser dat de innerlijke motieven juist tegenhoudt.

Loslaten, daar gaat het om met carnaval, overgave aan de beleving. Als dit ons lukt, bijvoorbeeld in een uitgelaten feest vol zang en dans, en dat hoeft niet eens carnaval te zijn, dan kunnen we merken hoe er nieuwe ruimte in onszelf ontstaat. Niet zoals bij de Grieken van bovenaf afkomstig, want dat was een andere tijd. Nu gebeurt het van binnenuit, alsof we het oude leven afleggen en het nieuwe leven in onszelf vrijmaken. Dit geeft energie, zin om de draad weer op te pakken. Wellicht voelen we de lente tintelen, voelen we hoe het nieuwe in en om ons heen gestalte probeert te krijgen. We leven het leven, we plukken de dag.

Geschreven door Fred Tak

Uit: Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, Uitgeverij Christofoor, september 2017


Schrijf je in voor onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van actualiteiten uit de regio.

Selecteer plaatsen

Meer achtergronden

Alle achtergronden 

Meer activiteiten

Volledige agenda