verbindt wie mee wil blijven bewegen


Antroposofische ideeën zijn stilzwijgend ingeburgerd geraakt in allerlei sectoren van onze samenleving. Vrijescholen bijvoorbeeld zijn ongekend populair. Is antroposofie sexy geworden? Wat doet dat met de leer? En waar staat deze bijna honderdjarige beweging eigenlijk voor?

Mijn kleinzoon van negen, stoere voetballer en gamer, heeft laatst een kabouter gebreid. Groene puntmuts, rood jakje. Breien, dat doen jongens op de vrijeschool gewoon. Mijn kleinzoon is helemaal opgebloeid op de vrijeschool , na een paar jaar gangbaar onderwijs, waarin we zijn vrolijke leergierigheid voor onze ogen zagen wegkwijnen. De hele familie is opgelucht.

Dilemma

Een gebreide kabouter – antroposofischer kan bijna niet. Toch is mijn dochter geen ‘soof’. Zoals zoveel ouders van vrijeschoolkinderen is ze alleen maar afgegaan op het kindvriendelijke imago van deze school, de warme belangstelling voor het kind als individu, de ruime aandacht voor toneel, zang, tekenen en handarbeid. Vrijescholen zijn tegenwoordig erg in trek; vele van de bijna honderd hebben wachtlijsten en er worden her en der nieuwe opgericht. Bijna driekwart van de ouders heeft zelf niet op zo’n antroposofische school gezeten.

“Ja, antroposofie is sexy geworden,” zegt een jonge vrouw, vroeger zelf vrijeschoolleerling.

“Ja, op de fysieke laag bloeien vrijescholen,” zegt de vrouw van een antroposofische schoolarts, “maar op de etherische laag zijn ze op sterven na dood.”

Deze twee uitspraken vatten het dilemma van de antroposofie kernachtig samen. Door de populariteit van de antroposofische instituties dreigen de ‘levenskrachten’ van de beweging te verzwakken, is de vrees. Want er komen veel nieuwe mensen binnen, leerkrachten, managers en ouders, die zelf geen doorgewinterde antroposofen zijn. Ze stroomlijnen de boel, bezuinigen op spirituele gebruiken die voor de oude garde van levensbelang zijn, schrappen feestrituelen of maken er een trucje van; ze snappen niet waar het eigenlijk om gaat.

“Als zulke mensen op school helpen met seizoenstafels maken bijvoorbeeld,” zegt Janine Verdonk die promoveerde op het onderwerp antroposofie in Nederland, “ontbreken vaak de geestelijke denkbeelden die de antroposofie kenmerken. Veel ouders van vrijescholen maken maar fragmentarisch kennis met de antroposofie.”

Vier lichamen

De Antroposofische Vereniging in Nederland, afgekort AViN, telt slechts vierduizend leden. Maar minstens een half miljoen Nederlanders maken op een of andere manier gebruik van antroposofische diensten of producten, meldt Verdonk in haar proefschrift De Antroposofische Orde, Geestverwanten van Rudolf Steiner in Nederland. Ze hebben een kind op de vrijeschool of in een heilpedagogisch instituut (instellingen voor antroposofische gehandicaptenzorg), consulteren een antroposofische arts, gaan naar diensten in de Christengemeenschap, zetten hun geld op de Triodosbank, gebruiken Weleda- of Dr. Hauschkaproducten, eten het liefst biologisch-dynamische groenten met keurmerk Demeter. Ideeën uit het antroposofische gedachtengoed zijn gangbaar geworden in kringen van new age en nieuwe spiritualiteit, al is het in een ander jargon.

‘Etherisch’ bijvoorbeeld is een typisch antroposofische term, afkomstig uit het zogenoemde vierledige mensbeeld. Elk mens heeft volgens deze visie een fysiek lichaam en daarnaast nog drie andere lichamen, lees organisatiesystemen, die op geestelijke of fijnstoffelijke manier aanwezig heten te zijn: een etherisch lichaam waarin de levenskrachten zich manifesteren, een ziele- of astraal lichaam dat gevoelens en emoties bevat, en een ‘ik’. Dat laatste vormt de kern van de mens. Het wordt in staat geacht, bij een bevoorrechte enkeling spontaan en bij anderen door veel oefening, te ‘schouwen’ in de geestelijke wereld.

De grondlegger van de beweging Rudolf Steiner (1861-1925) zei zelf dat hij al zijn filosofische en kosmologische inzichten ontleende aan zulk schouwen. Dit ‘ik’ vertoeft volgens zijn leer na de dood een tijdlang in de geestelijke wereld, om terug te keren op aarde in een nieuw lichaam en met een nieuwe levensopdracht. Het kiest vooraf de omstandigheden waaronder deze opdracht maximaal succes heeft; het kiest dus ook zijn eigen ouders.

Aan de basis van de antroposofie staat het begrip ontwikkeling of evolutie. Alles draait voor sofen om ontwikkeling: de ontwikkeling van het kind, de ontwikkeling van het denken, voelen en willen, de ontwikkeling van de ziel door vele reïncarnaties heen.

Steiner postuleerde dat er zeven grote evolutionaire stadia zijn in de kosmos. Het wordt in antroposofische kring wel het ‘badkuipmodel’ genoemd, want het is een U-vorm: in de eerste drie stadia zijn we afgedaald uit de geestelijke wereld naar het aardse, en steeds meer verdicht geraakt. In de laatste drie stadia zullen we weer steeds geestelijker worden en opklimmen naar boven. Nu bevinden we ons onderin, in het middelste stadium, het aardse. Hier is het ‘ik’ van de mens tot ontwikkeling gekomen, maar hier zijn we ook ons vermogen verloren om contact te houden met de geestelijke wereld en worden we steeds materialistischer. De geestelijke wereld, de heirscharen van God die zeer plastisch worden gezien, in de vorm van een hiërarchie van engelen en aartsengelen, trekt zich expres terug om ons, mensen, de mogelijkheid te geven innerlijke vrijheid te ontwikkelen.

Christus heeft een centrale rol in dit proces. Het verhaal is dat de geestelijke wereld het risico van het materialisme zo groot achtte, dat men besloot in te grijpen. Een zonnewezen, de Christusgeest, daalde af naar de aarde, verbond zich bij de doop in de Jordaan met het lichaam van Jezus, verliet dit lichaam weer op het moment van de kruisiging en verbond zich met de aarde. Het offer dat op dat moment gebracht werd, was nodig om de mogelijkheid open te leggen voor mensen om zich uit vrije wil te verbinden met de geestelijke wereld.

De Christengemeenschap is officieel geen antroposofische kerk – maar hij is wel opgericht door priesters die in 1922 hun licht opstaken bij Rudolf Steiner. En veel antroposofen maken er gebruik van, al is het maar na hun dood, met een speciale ‘mensenwijdingsdienst.’ De centrale idee is dat je je door oefening en toewijding kunt verbinden met de kosmische Christus. In de diensten klinkt dan ook veelvuldig de zegenbede: “Christus in u.”

Steiner

Tot in de achttiende eeuw, vertelt Verdonk in haar boek, was in Duitstalige landen het heersende wereldbeeld statisch: mens en natuur werden gezien als deel van een onveranderlijke, door God geschapen orde. Toen Darwin bewees dat er in de natuur nieuwe soorten ontstaan door natuurlijke selectie, kreeg een nieuw, dynamisch wereldbeeld een wetenschappelijke basis: “Het idee van een progressieve evoluerende kracht die al het leven op aarde doortrekt,” schrijft Verdonk.

De antroposofie van Rudolf Steiner bracht begin twintigste eeuw een nieuw groot verhaal, stelt ze. Dat wil zeggen: een zingevend verhaal dat gaat over vooruitgang, dat inzicht biedt in de werkelijkheid en aangeeft hoe mensen kunnen meewerken aan een toekomstideaal. “Eind negentiende eeuw was de samenleving behoorlijk onttoverd,” zegt Verdonk. “En dit was pure betovering: alles krijgt glans, wordt voorzien van een geestelijkheid waardoor je je opgenomen kunt voelen in een groot geestelijk geheel.”

Het leven heeft een heel duidelijk doel, voor antroposofen, en dat is het ontwikkelen van persoonlijke, geestelijke vrijheid.

Steiner moet een sterk charismatisch man geweest zijn; veel mensen die hem persoonlijk ontmoetten, spreken van een overweldigende indruk. Hij was zich daarvan ook sterk bewust, getuige deze anekdote: eens was hij met een groep studenten aan het wandelen in de heuvels bij Dornach, Zwitserland. Op een goed moment bukte hij zich en zei: “Ik kan beter dit steentje even uit mijn schoen halen. Anders loopt morgen half Dornach te hinken.”

In de schepping vóór de mens, betoogde Steiner, ontbrak de vrijheid, en wij mensen zijn geschapen met het doel de kosmos te verrijken met deze kwaliteit. De term vrijheid is uiteraard wel heel anders op te vatten dan bijvoorbeeld die van de Partij voor de Vrijheid van Wilders. Het gaat vooral om het ontwikkelen van bewustzijn.

“Vrijheid van denken houdt in dat men het eigen denken actief en onbevangen aan kan sturen,” schrijft Verdonk. In essentie is het ideaal – denken, voelen en handelen dat vrij is van ego – vergelijkbaar met de ‘verlichting’ van de boeddhisten of de ‘eenwording met God’ van de christelijke mystici.

Ontwikkeling bij volwassenen

Dit ontwikkelingsdenken doortrekt alle antroposofische gebruiken, rituelen en instituten. Breien bijvoorbeeld wordt gezien als middel voor de kinderen om zich bewust te worden van hun handen en het ontwikkelen van de wil: in het begin lukt het nog niet om te doen wat je de leerkracht ziet voordoen, maar gaandeweg lukt het wel en dan begrijp je dat je door oefening iets kunt vormgeven.

Hoe ontwikkelen volwassen antroposofen zich? Het idee is dat ‘imaginatie’, ‘inspiratie’ en ‘intuïtie’ geestelijke zintuigen zijn die door oefening sterker en scherper worden. Dat oefenen gebeurt door veel deelname aan studiegroepen en leeskringen, door thuis te mediteren op spreuken van Steiner, en door de zogenaamde Klassenuren te volgen. Steiner had het plan een geesteswetenschappelijke hogeschool op te richten die mensen in drie jaar tijd zouden inwijden in de geestelijke wereld. Voor zijn dood op 64-jarige leeftijd had hij maar negentien esoterische lessen geschreven; die vormen de inhoud van de Klassenuren. Het zijn poëtische teksten, ‘mantrams’ genaamd, meditatieve verzen die handelen over de plaats van de mens in de kosmos en de diepere betekenis van de schepping, met uitleg van Steiner.

De Klassenuren vormen een soort binnencirkel van de antroposofie. Je mag er alleen aan meedoen als je minstens twee jaar lid bent geweest van de Vereniging en ernstig van plan bent de antroposofie in de wereld uit te dragen. Ze vormen daarmee ook een soort onuitgesproken rangorde – antroposofen die Klassenuren volgen zijn natuurlijk wel een beetje méér antroposoof dan zij die dat niet doen, en de leiders of ‘lezers’ van de Klassenuren, in Nederland een stuk of twintig, zijn dat nog meer.

Volgens sommigen was Steiners bedoeling dat zijn leerlingen vrij zouden omgaan met de teksten en in de bijeenkomsten vooral hun eigen ervaringen in of met de geestelijke wereld onderling delen. Maar na zijn dood is er een soort angstvallige verstarring opgetreden rond deze teksten. Tot voor kort was het enige dat in Klassenuren gebeurde, het oplezen en aanhoren van Steiners teksten; pas het laatste decennium durven sommige groepen ook hun eigen ervaringen met de teksten uit te wisselen tijdens de maandelijkse bijeenkomsten. Er is sowieso veel schroom in de beweging om iets te veranderen. De taal die gebezigd wordt, is nog steeds dezelfde als die van honderd jaar geleden en nieuwe vertalingen worden met argusogen bekeken. Dat geeft de antroposofie haar toch enigszins stoffige imago.

Verdonk draagt de beweging een warm hart toe: “Het zijn zeer sympathieke mensen met heel sympathieke strevingen, en ze zijn daarin ook heel krachtig, integer en met een ongelooflijke inzet. Maar er zijn ook betweterige en veroordelende antroposofen. In de Vereniging heeft men dikwijls lange tenen – juist omdat men zich op verschillende wijze sterk verbonden heeft met de antroposofie en daarin gevoelig is.”

Vernieuwing

De diepste waarden van de antroposofie: autonomie, zelfontplooiing, uniciteit, worden tegenwoordig in steeds bredere kring omarmd, bevestigt Verdonk. “Het individu en individuele ontwikkeling staan in de antroposofie centraal, ook op school en in andere instituten. Het gaat bijvoorbeeld om het ontwikkelen van moed, eerbied en eigenheid. Kenmerkend voor antroposofen is dat zij deze aandacht voor individuele ontwikkeling heel expliciet koppelen aan sociale waarden zoals gemeenschapsvorming, eerbied voor de ander en zorg voor elkaar. Ze hebben veel aandacht voor de ander, vanuit het idee dat je die ander moet meenemen in het grote kosmische ontwikkelingsproces. Opvallend is dat zorg voor de ander hier goed blijkt samen te gaan met gerichtheid op de eigen groei  en dat die twee elkaar kunnen versterken.”

Uit antroposofische kring heeft ze commentaar gekregen op haar proefschrift in de zin van: “We moeten nodig vernieuwen.”

“Maar ik zie nog niet goed,” zegt ze, “hoe dat vernieuwingsproces plaats kan vinden. Welke ideeën zouden weg moeten en welke kunnen blijven? Kun je verouderde ideeën eruit halen zonder dat de rest omvalt of zonder dat het gedachtegoed verwatert? Als je het gedachtegoed vernieuwt, is het dan nog antroposofie?”

Het zijn de vragen waarmee meer tradities worstelen. De tijd zal leren hoe het de antroposofie zal vergaan.

 

Geschreven door Lisette Thooft

 

Overgenomen uit Volzin, magazine voor religie en samenleving, www.volzin.nu

Janine Verdonk, De antroposofische orde. Geestverwanten van Rudolf Steiner in Nederland, VU University Press, 342 blz., € 39,95.