Kunstzinnig onderwijs: typisch vrijeschool
Wanneer een drukke en bewegelijke leerling de rustige rol van Boeddha moet spelen, vraagt dat een heel andere houding en kan in de loop van de weken zelfkennis groeien die het kind kan helpen.
Als ik nieuwe ouders wil uitleggen wat het onderscheidende is in het vrijeschoolonderwijs dan kom ik gauw ons kunstzinnige onderwijs. Ik doe een poging om het begrip kunstzinnig onderwijs uit te werken waarbij ik hier en daar ook gebruik maak van een artikel van een collega. Kunstzinnig onderwijs: wat bedoelen we ermee? Waarom vinden het we het belangrijk? Het begrip kunstzinnig onderwijs kent verschillende aspecten. Er zijn er binnen de vrijeschool tenminste drie.
1. De kunstvakken die een vast bestanddeel van het lesrooster vormen geven de eerste en meest voor de hand liggende betekenis aan het begrip kunstzinnig onderwijs. Deze vakken omvatten een grote variëteit aan vakken, technieken en werkvormen. Kunstvakken bieden de leerlingen de mogelijkheid andere kwaliteiten te ontwikkelen naast de cognitieve vermogens. Ook de ambachtelijke vakken worden onder de kunstzinnige lessen gerekend en worden vooral in de lagere klassen gegeven worden. Dat zijn strikt genomen geen kunstvakken, maar zij bereiden ook wel voor op het kunstzinnige werk.
2. Bijzonderder is, dat we in de vrijeschool het kunstzinnige ook gebruiken om in de niet-kunstvakken de lesstof op een andere manier te verwerken. Dit tweede aspect van kunstzinnig onderwijs leidt voor een leerling tot een beter en persoonlijker begrip van de lesstof, omdat je je deze op een authentieke manier eigen maakt. Dat dit goed werkt, merken we dagelijks in de periodelessen maar vaak ook in de vaklessen. In de hogere klassen komt de kunstzinnige verwerking onder (tijds)druk te staan door de toenemende invloed van de uitstroomcriteria bij de overgang naar het voortgezet onderwijs en de normering van reken- en taalactiviteiten in het onderwijs.
3. Een derde aspect van het kunstzinnige onderwijs in de vrijeschool is het vormgeven van het onderwijs zelf. Elke les moet een kunstwerk zijn, vormgegeven in een creatief proces. Denken, voelen en willen worden in zo’n les bij de kinderen aangesproken. Dan wordt de leerling ook meegenomen in dit creatieve proces en komt de lesstof echt tot leven voor de leerlingen. Dat vraagt veel van de leraar zowel tijdens de voorbereiding als tijdens de les.
Er is in de samenleving een sterk toenemende roep om creativiteit, authenticiteit en originaliteit. Daarbij wordt ook verwachtingsvol naar het onderwijs gekeken. Voor vrijeschoolleraren is duidelijk dat creativiteit, authenticiteit en originaliteit niet in ‘een extra lesje’ kunnen worden ontwikkeld. Als we deze eigenschappen en vaardigheden bij onze leerlingen willen ontwikkelen moeten deze kwaliteiten ons totale onderwijs en onze didactiek doortrekken.
Een voorbeeld uit de dagelijkse praktijk
Twee weken geleden: klas vijf nodigt de leerlingen van de klassen één tot en met zes uit voor hun toneelstuk over Boeddha. De zaal is donker bij het binnenkomen; het gordijn op het toneel nog dicht. Kinderen komen met hun leerkrachten rustig binnen en zoeken een plaats, de jongste klassen vooraan; de grote kinderen daarachter. Er is een verwachtingsvol geroezemoes tot meester Peter naar voren komt en opent met een korte toelichting.
Het doek gaat open en de voorstelling begint. Bijna veertig minuten kijken en luisteren we naar het spel dat de vijfde klas heeft ingestudeerd. Veel is door de leerlingen zelfstandig en in groepjes met elkaar geoefend; het geheel is kunstzinnig samengebracht door de hand van de meester.
Waarom noem ik dit kunstzinnig ? – er wordt mooi en verzorgd gesproken; er is aandacht besteed aan de houdingen gebaren van de verschillende personages; er is een aandachtige en nu en dan verheven stemming die voortkomt uit en nauw aansluit bij de inhoud. Decors en kleding zijn smaakvol en met grote aandacht geplaatst en ondersteunen het spel van de kinderen. Geen enkel moment is er twijfel of onzekerheid bij de kinderen; de leerkracht laat het spel totaal over aan de kinderen op en achter het toneel. Iedereen heeft een aandeel; neemt zijn deel in het geheel en je ziet als toeschouwer dat de kinderen trots zijn op wat ze samen neerzetten. Ze hebben voldoening en plezier.
Wat is de doorwerking bij de kinderen van deze vorm van kunstzinnig onderwijs?
Leerlingen ontwikkelen zelfvertrouwen door op toneel een rol te leren spelen en een tekst krachtig en gevormd te leren spreken. Er durven staan in de wetenschap dat je medeleerlingen naar je kijken, naar je luisteren. Dat die hetzelfde ook doen; dat je samen iets moois tot stand brengt. Op individueel niveau kiest de leerkracht de rollen ook vaak vanuit pedagogische motieven; het is pedagogisch toneel dat we in de school gebruiken. Een mooie eindvoorstelling is een leuke bijkomstigheid, maar het eerste en belangrijkste pedagogische doel is dat kinderen zich door middel van inleving in een bepaald personage daaraan kunnen ontwikkelen. Je kunt je voorstellen dat wanneer een drukke en over bewegelijke leerling, die zich slecht kan concentreren, de grote rol van Boeddha moet spelen, dat een heel andere houding van hem vraagt. Hij zich moet proberen zich daarin volkomen te verplaatsen. Vanuit die oefening en verbinding kan in de loop van de weken zelfkennis groeien die het kind kan helpen. Ook de leerlingen die als toeschouwers naar het toneelstuk kijken worden innerlijk aangesproken en gevoed door de toneelbeelden. Ook aandachtig kijken wordt dan tot een kunstzinnige manier van leren.
