Lezing over Audrey McAllen door Joep Eikenboom – op de Bewegende conferentie ‘16
Als het kind na de eerste drie jaren problemen over houdt op sensomotorisch gebied, gaan ze niet meer vanzelf weg. Dan is hulp geboden.
De ontwikkeling van het kind in de eerste zeven jaar vormt de basis van het leren. Bewegen en de zintuiglijke ervaringen geven vorm aan het brein van het kind. Als er leerproblemen ontstaan kunnen die o.a. samenvallen met een sensomotorische ontwikkelingsachterstand. De Engelse Audrey McAllen gaf in haar boek ‘De Extra Les’ een heleboel ideeën om concreet met kinderen aan het werk te gaan. Dit was in eerste instantie bedoeld voor RT-ers via individuele sessies. In Nederland verdiepte Joep Eikenboom zich in dit concept en ontdekte dat je deze oefeningen ook goed in de (bewegende) klas kan integreren.
Eikenboom begint kort met het uitleggen van de 7-jaarsfase. In de eerste fase van 0-7 jaar wordt de basis gelegd voor en ontwikkelt zich het fysieke lichaam. Onder het fysieke lichaam verstaat hij de zenuwen en hersenen, het skelet, en de spieren. De ontwikkeling van de zintuigen en de motoriek behoren bij dit aspect van het fysieke lichaam. Dit is de basis voor het (latere) leren. De stofwisselingsprocessen, de klieren en dergelijke, behoren eigenlijk meer bij de levensprocessen van het etherlichaam, hoewel zij ook een aspect van het fysieke lichaam vormen.
In de eerste zevenjaars-periode is er nog weinig bewustzijn en is het kind nog – maar wel steeds minder – verbonden met de paradijselijke wereld. In de tweede fase tussen 7-14 jaar wordt het vrijgekomen etherlichaam geïndividualiseerd. Het kind kan gaan leren, zijn geheugen gebruiken, het leven en de levensprocessen gaan stromen en het kind is normaliter fysiek fit. De derde periode vanaf het 14e jaar wordt het astrale lichaam geïndividualiseerd en komt het zielenelement of de ontwikkeling van de individualiteit erbij.
Audrey McAllen werkte in de jaren ’70 op een vrijeschool in Glouster (GB). De schoolarts vroeg haar oefeningen te bedenken omdat niet alle kinderen tot leren kwamen. Terwijl wel alle voorwaarden (ouders, gezondheid, temperament, constitutie, goede leerkrachten etc.) aanwezig waren om tot leren te komen.
Zij ging met deze kinderen aan het werk en ontwikkelde niet alleen oefeningen maar ook een visie waarin een universele en individuele mensheidsontwikkeling tot uitdrukking komt. Elk mensenkind heeft een fysiek lichaam. Dit lichaam ontwikkelt zich bij iedereen hetzelfde en rond dezelfde periode. Dit is een universeel proces vol wetmatigheden. De constitutie maakt ons echter uniek, iedereen leeft zijn/haar leven op zijn eigen unieke manier, gaat zijn eigen ontwikkeling en in zijn eigen tempo. Kinderen maken zich met name in de eerste periode allebei eigen, dus zowel het lichaam als de constitutie. Wel is het zo dat een aantal kinderen enkele ontwikkelingsstappen onvoldoende of zelfs in het geheel niet doormaken. Je ziet dan onrijpe bewegingspatronen in de motoriek (in arm- of handbewegingen) die zijn blijven bestaan.
Bij het leren komen we ook dit soort onrijpe dingen tegen, zoals een spiegeling van de letters, een afwijkende pengreep, het niet door de middenlijn kunnen gaan, evenwichtsproblemen. De lateralisatie van de hersenen is met ruim zes jaar zover uitontwikkeld dat ze kunnen gaan leren. Ook de dominantie is dan grotendeels bepaald, hoewel dat nog iets narijpt. Je kunt de verticale middenlijn kruisen en de hersenhelften kunnen gaan samenwerken. Dit is belangrijk voor het leren.
In baby en peutertijd is het daarom belangrijk om speeltjes, het eten, de kleding, de lighouding, etc. van beide kanten aan te bieden. Zodat het aankleden of de voedingshouding wisselt en niet altijd van rechts komt. Aandacht van ouders en opvoeders hiervoor is belangrijk!
Het evenwicht is een zeer belangrijk zintuig en vooral bij dit zintuig spelen vaak problemen.
Het zintuigorgaan voor het evenwicht is verbonden met het oor. Problemen met het auditieve hangen veelal samen met een matig functionerend evenwichtsorgaan. Dit merk je ook wel bij kinderen die vaak last hebben van oorontstekingen.
Maar ook de bewegingsmogelijkheden van de ogen zijn voor een groot deel verboden met het evenwichtsorgaan. Dus ook de visuele waarneming wordt mede bepaald door het evenwicht doordat het invloed heeft op de oogspieren en de ogen. In Duitsland hebben schoolartsen van reguliere scholen ontdekt dat de meeste kinderen met visuele en/of auditieve leerproblematiek geen slechte ogen of oren hadden, maar een slecht evenwicht.
Het evenwicht noemde Joep Eikenboom het belangrijkste zintuig, omdat daar het Ik zich kan verankeren in de driedimensionaliteit van de wereld en het lichaam. Bied je oefeningen aan op evenwichtsgebied, dan moet je die langzaam laten uitvoeren en niet te lang te doen. Een voorbeeld is om de knie omhoog naar de neus te laten gaan en het hoofd beweegt dan naar beneden. Goed is om daar dan langzaam bij te praten via een versje. Kinderen vanaf zeven jaar staan bij deze oefeningen en kleuters laat je op een stoel zitten. Kleuters moeten dat buigen al kunnen. Een andere mogelijkheid is om bij het vormtekenen de beweging groot mee te laten doen in de lucht, maar vooral met het hoofd stil de ogen de vorm te laten volgen.
Tussen de 2½ en 5½ jaar moet een kind door de horizontale middellijn kunnen kruisen. Je kunt het zien aan het hurken, buigen en soms aan de ogen (bewegingen) wat niet goed gaat. Omdat jongens fysieker zijn dan meisjes, vallen problemen op dit gebied bij hen eerder op. In de eerste klas kun je het opmerken omdat het schrift of het papier anders ligt en niet bij de navel tijdens het schrijven.
Nog een reflex die kan blijven bestaan is de schrikreflex. Een baby schrikt en beweegt met zijn hele lijf. Je kunt bijvoorbeeld opmerken dat een kind moeite heeft het vangen van een bal, omdat het de armen reflexmatig uitspreidt in plaats van met de handen bij elkaar de bal te vangen. De grijpreflex (de vuist die zich dicht en opent) zouden peuters niet meer moeten hebben, omdat die wordt geïntegreerd door het kruipen. Klauwhandjes en een bepaalde krampachtige pengreep of het potlood vast houden met de duim over de vingers kan erop wijzen dat dit reflexpatroon (Palmar-reflex) nog sterk aanwezig is. Je kunt kinderen laten kruipen, kruipoefeningen laten doen of kruiwagentje laten spelen. Ook de romp moet los kunnen bewegen. De lemniscaat is een goede oefening (vanaf ca. 6 jaar), waarbij de handen mee moet draaien (let hierop), je door het midden gaat en links en rechts ervaart. Met links neem je de wereld op (ontvangen) en neem je globaal waar. Met rechts zet je de daad in de wereld en neem je details waar. Daarom oefen je altijd beide de zijden.
Kortom, de sensomotorische ontwikkeling is van fundamenteel belang om tot (goed) leren te komen. Eikenboom zegt dat de eerste drie jaren het belangrijkste zijn voor het kind, en als het kind dan problemen over houdt, deze niet vanzelf weggaan. Observeren en waarnemen is de eerste stap en daarna moet er iets aan gedaan en/of geoefend worden, zodat een kind zijn probleem kan ontgroeien.
