verbindt wie mee wil blijven bewegen


Het komt enkel op moed aan. Die raken ook de dappersten kwijt. Dan hebben we de neiging om te gaan zoeken naar programma’s, naar zekerheden en garanties. Moed heeft verstand nodig, maar is niet het kind van het verstand, moed komt uit diepere lagen. – Hermann Hesse

Moed als metamorfose van de wil

De menselijke wil is de meest raadselachtige van alle krachten van de ziel. Hij openbaart zich doordat hij tegenstand overwint. Als je een heel elementaire uiting van de wil bekijkt, het vasthouden van een voorwerp, dan kan je deze eigenschap bestuderen. Als je een tas of een ander voorwerp vasthoudt, kun je dat alleen doordat de werking van de wil in je vingers, in je hand, in je arm voortdurend opnieuw actief vernieuwd wordt. Je moet tegen de zwaartekracht in de wil onophoudelijk inzetten zodat je niet verslapt. De wil ontstaat op ieder moment uit zichzelf opnieuw, hij is dus in hoge mate scheppend. Bij het voorstellen is dat anders. Onze voorstellingsbeelden beelden zakelijk de uiterlijke omgeving af. De gevoelens hebben een persoonlijk karakter, maar ze zijn ook steeds een reactie op iets. De wil is actief en van alle regio’s van de ziel komt hij het meest van binnen en is hij het meest individueel. Hier is de mens het sterkst zichzelf. Het hele karakter van een mens hangt samen met deze individueelste binnenruimte van zijn ziel, van zijn wil.

Wordt de wil sterk en ook doordrongen van geestelijke impulsen, dan openbaart hij in ons morele karakter vlijt, zorgvuldigheid, uithouding, hulpvaardigheid of ook moed. Moed is een bijzondere eigenschap van de vergeestelijkte wil en toont hoe een mens met weerstanden kan omgaan, hoe hij ze kan overwinnen, hoe hij gevaarlijke situaties die met onzekerheden en onaangenaamheden verbonden zijn, kan overmeesteren. Maar moed kan ook bewerkstelligen dat een mens zich verzet tegen een handeling die men van hem verwacht, dat hij zich terughoudt of dat hij weigert iets te doen. Moed is in hoge mate individueel, hangt zeer nauw samen met het geweten en het bewustzijn van verantwoordelijkheid en is erg verwant met het nemen van initiatief.

Moed bij het aanbreken van de moderne tijd

Rudolf Steiner wijst bij de oprichting van de eerste Waldorfschool (in het vervolg steinerschool genoemd, noot van de vertaler) op de innerlijke, verborgen samenhang tussen het begin van het moderne tijdperk en die van de steinerpedagogie. (Steiner, GA 293, p. 19). In de ‘geestelijke ondergrond’ van beide gebeurtenissen werken dezelfde krachten. Wat abstract en grof gesproken kun je zeggen dat ze beide in het teken staan van de individualisering. Centraal belang hebben daarbij de psychisch-geestelijke krachten van de moed. Zij zijn het kenteken van de mens van de moderne tijd die zich tegen weerstand en gevaren inzet voor een als juist en noodzakelijk ervaren zaak. Met drie voorbeelden uit de eerste decennia van de Europese moderne tijd wil ik dit illustreren.

Een van de eerste vertegenwoordigers van deze zielenhouding is de Tsjechische theoloog en reformator Jan Hus (1369-1415). Hus was ervan overtuigd dat ieder mens zijn eigen verhouding tot God moest zoeken en vormgeven; de bemiddeling van de Kerk en de paus waren voor hem niet dwingend. Zijn moed berustte op de onaantastbare overtuiging dat voor ieder mens de innerlijke zelf bevochten en herkende ‘waarheid’ de leidraad is. Ten overstaan van een kerkconcilie, tot dan toe de onaantastbare autoriteit, eiste hij redenen voor de correctie van zijn inzichten en wees hij blinde ondergeschiktheid af. In de gevangenis van Konstanz noteerde hij in 1415 in een brief de volgende woorden:

Daarom, beste christen, zoek de waarheid, hoor de waarheid, leer de waarheid, heb de waarheid lief, spreek de waarheid, hou je aan de waarheid vast, verdedig de waarheid tot ter dood …

en was tenslotte bereid liever zijn leven te offeren dan iets te herroepen van datgene waarvan hij diep overtuigd was.

Even voorbeeldig staat aan het begin van de moderne tijd de figuur van Christoffel Columbus (1451-1506). Met veel moeite was hij ervan overtuigd geraakt dat er een weg naar Azië via het westen moest zijn. Deze weg ging er echter vanuit dat men afscheid moest nemen van de nabijheid van de kust en het daarmee verbonden gevoel van veiligheid. Omgeven door water zonder een uiterlijke houvast maakte zijn innerlijk verworven zekerheid het hem mogelijk wekenlang vol te houden en zijn doel te bereiken. Zijn moed bestond erin af te zien van deze uiterlijke zekerheden en alleen te vertrouwen op zijn vaststaande inzicht.

De grote Italiaanse universele geleerde en tijdgenoot van Columbus Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494) formuleerde in zijn tekst Over de waardigheid van de mens (uit 1486) moedig tegen het destijds heersende inzicht:

… jij bent door geen enkele onoverwinnelijke beperking geremd, je zult naar je eigen wil, in de hand waarvan ik (=God) je lot gelegd heb, zelfs je eigen natuur vooraf bepalen …

Het wezen van de mens bestaat erin zich niet te laten leiden door uiterlijke doeleinden, maar door inzicht van binnenuit. Deze houding om te verzaken aan doeleinden en houvast van buitenaf en om vanuit jezelf de maatstaven voor je handelen te bepalen, vereist een ongehoorde moed.

In de latere eeuwen en vooral in de 20ste eeuw hebben uitzonderlijke persoonlijkheden in alle kringen van de cultuur zich onderscheiden door een bijzondere moed. Deze moed toonde zich vooral tegenover sociaal-politieke regimes die onmenselijk, totalitair en dictatoriaal waren. Ze wordt vaak met het Duitse woord Zivilcourage aangeduid. Persoonlijkheden zoals Nelson Mandela, Alexander Solzjenitsyn, Vaclav Havel, Aung San Suu Kyi, Eduard Snowden en anderen waren bereid om hun persoonlijke vrijheid, gezondheid, soms zelfs ook hun eigen leven op te offeren als de menselijke waardigheid en de mensenrechten in het gedrang kwamen.

Het motief van de moed in de Allgemeine Menschenkunde (Steiner)

De inhoud van de begincursus van de steinerpedagogie Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik (Ndl. titel: Algemene menskunde als basis voor de pedagogie) heeft een unieke kunstzinnige compositie. Voor iemand die hem met een kunstzinnige blik opneemt, onthullen zich dynamische beelden en bewegingen, verbazingwekkende motieven, verrassende ritmes en spiegelingen in de tekst. Op deze compositorische aspecten moet je bij de studie precies letten. Zo licht in de eerste en in de laatste voordracht van Allgemeine Menschenkunde telkens kort het motief van de moed op. Dit motief behoort echter tot de essentiële omkadering van de gehele pedagogische menskunde. Moed verschijnt in het begin van de Allgemeine Menschenkunde (Steiner GA 293, eerste voordracht, het deel dat niet gestenografeerd is) als een van drie zuiver geestelijke kwaliteiten: kracht, moed en licht. Ze hangen alle drie samen met de werkingen van de hogere geestelijke wezens “in wier opdracht en mandaat ieder van ons in zekere zin zal moeten werken”. Zij verbinden zich met spirituele gemeenschappen.

De engel verleent aan de individuele mens de kracht die hij nodig heeft. Wordt deze kracht, die de engel kan verlenen, versterkt, dan ontstaat moed. Het is een substantie die zich in een college bij meer mensen vormt als ze zich met de geest verbinden. Deze verbinding die door moed geschapen wordt, ontstaat met de hulp van de boven de hoofden zwevende rei van aartsengelen. Een aanvuren en beMOED-igen van het pedagogische werk met de leerlingen en van de sociale en maatschappelijke werkzaamheid van de school groeit uit de gedeelde gedachten, ervaringen, belevenissen, uit het gesprek en de samenwerking. Moed verschijnt hier in een sociale context die vandaag als zeer brisant ervaren wordt: die van de collegiale samenwerking en de leiding van de school. Moed vormt zich als een vrucht van praktisch-spirituele gemeenschapsvorming. Waar kunnen we vandaag deze vorming van moed in onze colleges waarnemen? Uit deze moed ontstaat de substantie van een schaal die met een “druppel van het licht der tijden” (Zeitenlicht) begenadigd wordt. Moedige daden trekken de interesse van de verheven wezens van de archai uit de lichtsfeer aan. Moed wordt erdoor bevestigd, bekrachtigd en begiftigd. Het effect van een door spirituele moed gedragen daad wordt vergroot. Er gebeuren wonderen. Situaties, die schijnbaar vastzitten, verloren en uitzichtloos zijn, krijgen een oplossing: “Moed wordt verlossingkracht.” (Steiner GA 267, p. 75)

Op het einde van de Allgemeine Menschenkunde (Steiner GA 293, 14de voordracht) verschijnt het motief van de moed opnieuw als de middelste van drie kwaliteiten: vermogen tot fantasie, moed ten aanzien van de waarheid, verantwoordelijkheidsgevoel tegenover de waarheid. Terwijl het eerste drietal verheven was in hoge dimensies van de geestelijke wereld, wordt dit andere drietal nu getransponeerd naar de zielenruimte van de leraar. Moed figureert hier als een component van de door de zelfopvoeding verder ontwikkelde, geschoolde zielenkrachten. Moed als een sterke, karakteristieke kracht van ons hart verbindt zich hier met het zoeken naar waarheid, dus met het leven in gedachten en kennis. Hij moet de onzekerheid overwinnen die de wil verlamt. De overtuigingskracht van de antroposofische zienswijze op de wereld berust op belevenissen die optreden als je de antroposofie met energie bestudeert en in je hart beweegt. De antroposofie leidt je immers onophoudelijk naar de grenzen van de ervaringen die de zintuigen van je lichaam je bezorgen en ze schrijdt bovendien verder over deze drempel naar zuiver geestelijke feiten waarvoor je geen ondersteuning van buitenaf meer vindt, zoals bijvoorbeeld het leven voor de geboorte en het leven na de dood. Zonder aanzienlijke wilsinspanningen bij de studie en bij het inhoudelijk verwerken van de antroposofische uiteenzettingen zul je je als verloren voelen. Alsof de bodem onder je voeten uit gehaald wordt. Datgene wat je tot dan toe tot oriëntatie diende, telt hier niet meer. Deze belevenissen kun je ook als vrees- en angsttoestanden beschrijven. Alleen met de moed om te willen kennen en weten zijn ze te overwinnen. Deze moed groeit uit het toegenomen vermogen om tot inzicht te komen dat door innerlijke activiteit in zichzelf de vaste grond en zekerheid vormt.

Moed zal je wakker houden. Alleen moedeloosheid kan je doen inslapen. De stem die je maant tot moed, die manende stem die je van de moed krijgt om wakker te zijn, dat is (…) de variant voor antroposofen in de huidige cultuur. (Steiner GA 233, p. 158)

Je ontwaakt voor nieuwe aspecten van de wereld en de mens. Deze situatie is te vergelijken met belevenissen die je hebt als je je in water begeeft en op een bepaald moment geen vaste grond meer merkt onder je voeten. Je moet beginnen zwemmen. Existentiële angsten komen te voorschijn op zo’n moment. Ga ik mezelf verliezen? Ga ik onder? Je moet je bewegingen rustig aanpassen aan het nieuwe element van het water en zo kom je vooruit. Hou je vol, dan word je verfrissing gewaar en de groei van nieuwe krachten en vaardigheden.

Moed om af te zien van ‘rectoraat’, punten, specialisten

Er zijn ontelbare gebieden in het leven van een steinerschool waarin moed absoluut onontbeerlijk is. Ik zal slechts drie voorbeelden geven die ik als leraar zelf zeer intensief ervaren heb. Juist nu en zelfs altijd meer dagen deze voorbeelden uit tot expliciete moed. Hoe vaak heb ik gehoord, toen we in Tsjechië na de politieke ommekeer in 1989, steinerscholen aan het opbouwen waren: “Een school zonder directeur?! Dat kan nooit functioneren!” Hoe vaak heb ik gehoord: “Lessen zonder schoolboeken en punten?! Dat gaat niet!” Hoe vaak heb ik gehoord: “Een leraar geeft acht jaren alle periode-vakken in zijn klas?! Ondenkbaar!” Dat waren de kreten van de sceptici van buitenaf. Ze konden zich dat eenvoudig niet voorstellen. De steinerscholen hebben bewezen dat het gaat. Vandaag bestaat zulke scepsis echter evenzeer binnen de beweging van steinerscholen.

Over de schoolleiding zegt Rudolf Steiner dat wederzijdse geestelijke activiteit van de betrokkenen het ‘rustkussen’ van uiterlijke instructies vervangt. Om een directeur te kunnen ontberen, heb je een bijzonder engagement nodig en de ‘volle medeverantwoordelijkheid’ en wel van alle medewerkers. Deze medeverantwoordelijkheid voor het gedijen van het geheel vereist moed. Ben je bereid de volle verantwoordelijkheid voor de school op je te nemen, om het initiatief staande te houden? Dat heeft te maken met moed. In sterke colleges, waar deze kwaliteiten leven, krijgt een directeur onmogelijk voet aan de grond en kan een directeur zich niet uitleven. Waar echter de moed voor het op zich nemen van verantwoordelijkheid verzwakt, zal vroeg of laat de leiding van een rectoraat ingesteld worden. Het is eigenlijk een onbegrijpelijke en absurde situatie dat in de scholen die de staat organiseert na eeuwen van vernietigende kritiek de praktijk van het geven van punten en cijfers nog altijd overeind gebleven is. De punten zijn een element dat een echte pedagogie in de weg staat. Een complexe menselijke prestatie van een cijfer voorzien, is een aantasting van de menselijke waardigheid of toch minstens onzin. Nog absurder en pijnlijker is de praktijk van beoordelingen in de vorm van punten en cijfers in steinerscholen. In de meeste Duitse bovenbouwen van steinerscholen schijnen de leerlingen inderdaad ook punten te krijgen. Er zijn ook opleidingen voor steinerleraren die ofwel de praktijk van het punten geven vrijwillig hebben aanvaard ofwel meer daartoe gedwongen werden door de procedures om geaccrediteerd te worden. Een misschien verwant voorbeeld: in landen van Europa waar al veel langer steinerscholen bestaan dan 1989, worden leerlingen bijna plat gedrukt door tests. Is dat niet een bewijs van een verspreiding van moedeloosheid en zich aanpassen? Een nieuwe onbevreesdheid in de strijd tegen de bureaucratische draak is nodig.

Er is een tijdperk in de leerbiografie van een mens waarin men de behoefte heeft aan een gewaardeerde persoon om naar op te kijken, om zich te kunnen oriënteren aan deze persoon, om te leren. Dat is ongeveer in de tijd tussen de tandenwisseling en de puberteit. In dit tijdperk is het voor de lerende belangrijk om te ervaren dat de leraar een kenner van de mens is, dat hij zich passioneel voor de wereld interesseert en deze ook verstaat en dat hij zichzelf beheerst en zichzelf opvoedt. Deze leraar moet de moed hebben om af te zien van perfectionering en specialisering door zich te beperken tot een bepaald klasniveau of tot een bepaald vak ten gunste van een universele verbinding met de mens en de wereld. Het is de vrees die je soms verbiedt met je klas door te gaan tot aan het einde van de middenbouw en je te concentreren op de juist genoemde gezichtspunten. Het beroep van klassenleraar berust onder andere op moed. Moed is dus in de steinerschool-beweging gelijktijdig een kwestie van openheid tegenover hogere impulsen, inspiraties, intuïties. Ze is voor de steinerscholen een identiteitskwestie en hangt samen met haar cultuuropdracht.

 

Literatuur

Steiner, R. (GA 233): Die Weltgeschichte in anthroposophischer Beleuchtung und als Grundlage der Erkenntnis des Menschengeistes. Dornach: Rudolf Steinerverlag.

Steiner, R. (GA 267): Seelenübungen. Band I. Dornach: Rudolf Steiner Verlag.

Steiner, R. (GA 293): Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik. Dornach: Rudolf Steiner Verlag.

Geschreven door Tomáš Zdražil

Tomáš Zdražil

Tomáš Zdražil studeerde geschiedenis, archiefwetenschappen en pedagogie aan de Karlsuniversiteit in Praag en volgde tegelijk de leraren opleiding steinerpedagogie. Hij was leraar in de steinerschool van Semily (Tsjechië) en doctoreerde in 2006 aan de Universiteit van Bielefeld op het thema ‘gezondheid en steinerpedagogie’ (Unterricht und Gesundheit. Quellensammlung aus dem Gesamtwerk Rudolf Steiners). Hij doceert antropologie en antroposofie aan de Freie Hochschule Stuttgart en is lid van de Internationale Konferenz der Waldorfpädagogischen Bewegung (Haager Kreis).

Dit artikel is een vertaling van ‘Mutkräfte und Waldorfpädagogik’ dat verscheen in Lehrerrundbrief nr. 56 (kerst 2015) van de Pädagogische Sektion, ter voorbereiding van de wereldconferentie voor steinerschoolleraren in maart 2016. De auteur, Tomáš Zdražil, is een van de centrale gasten op de internationale conferentie Lichtbaken 1917/2017 op 24 tot 26 februari 2017 in Antwerpen. Vertaling: Wilbert Lambrechts

Bron: antroposofie vandaag · jaargang 47 · nr 185 7