Neem jezelf af en toe eens even niet serieus – bij Carnaval bij voorbeeld
Verharde buitenkanten kun je als dode takken aan het eind van de winter van je af schudden.
Tags: jaarfeesten
Carnaval wordt in Nederland op twee manieren gevierd. Zoals in Keulen in Limburg en het zuidoosten van Noord-Brabant, en zoals in Vlaanderen (ontstaan uit de traditionele eetfeesten) in het noorden en westen van Noord-Brabant, in Zeeland en in een groot gedeelte van Gelderland, zoals in de Achterhoek en de Liemers, maar ook in Twente.
Zie hier voor een voorbeeld uit Bergen hoe de vrijeschool het viert, en hier voor de speciale vrijeschool De Lans in Brummen.
Met name in Noord-Brabant en Limburg is Carnaval volksfeest nummer één, met voorbereidingen voor de praalwagens die al in september beginnen. Je kunt zeggen, het leeft daar massaal. Het is een oud traditioneel feest, dat in alle katholieke landen uitbundig wordt beleefd. Denk aan een stad als Rio de Janeiro, die jaarlijks honderdduizenden carnavalstoeristen trekt. In enkele steden bij ons is dat Caribische zomercarnaval in opkomst.
Sergio Luiz – Flickr
Oorsprong
Gaan we verder terug in de tijd, dan zien we dat het al in de Bronstijd werd gevierd, getuige Zweedse rotstekeningen uit 1600 voor Christus. Ook de Grieken vierden het, zo’n 500 jaar voor het begin van onze jaartelling, in hun grote Dionysusfeesten begin maart. Deze feesten bestonden uit gezongen opvoeringen op toneel, uitbundige optochten door de straten van de steden, vol dans, wijn en gezang. Dionysus was de god van de wijnbouw en fruitteelt. Het begin van de wijnbouw wordt gezien als de eerste vorm van beschaving. Het bracht mensen tot elkaar.
Kenmerk tijdens zo’n optocht was dat men zich verkleedde, een masker droeg, om zodoende het doorgeefluik te kunnen zijn van de godenwereld. De mens zelf moest hierbij achtergehouden worden. De goddelijke wereld moest via de “doorgang” mens de aarde uit haar winterslaap tot nieuw leven wekken.
De Romeinen vierden op 1 maart zowel een nieuwjaars- als een lentefeest. Maart was toen de eerste dag van het jaar. Dit kun je nog zien aan de namen september tot en met december (septem = zeven, octo = acht, enzovoort). De Romeinen namen de Griekse traditie over en lieten tijdens de optochten het beeld van Dionysus in een schip op wielen langs de menigte rijden. Dit vormde het ontstaan van de “scheepswagen”, de “carrus navalis”, waaruit het woord carnaval waarschijnlijk is samengetrokken. Echter, waar in de Griekse beleving sprake was van een dienstbaar zijn aan hogere machten (de goden), daar verdween Dionysus bij de Romeinen al gauw op de achtergrond en werd carnaval tot het grote zottenfeest zoals wij dat nu kennen. De verkleedkleren en maskers dienden niet langer om de bescheidenheid van de mens uit te drukken, maar om bizarre en lachwekkende gestaltes te kunnen vertonen. Zo verwerd het oorspronkelijk godsdienstige carnaval tot een ogenschijnlijk plat volksvermaak.
Het Narrenschip van Jeroen Bosch
De middeleeuwse kerk heeft geprobeerd carnaval godsdienstig te maken door dit feest te koppelen aan de Vastentijd, de periode van onthouding die geldt als voorbereiding op het feest van Pasen. Dikke dinsdag heette in sommige streken de dag van carnaval, gevolgd door Aswoensdag, de eerste dag van de Vastentijd. Deze traditie is behouden gebleven, behalve dan dat carnaval met ruim drie dagen is uitgebreid, zodat nu een heel lang weekeinde “doorgehaald” kan worden.
Bij het bepalen van de datum van carnaval wordt er gerekend vanuit Eerste Paasdag. Paaszondag is, volgens het Concilie van Nicea (325 n. Chr.), de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente (21 maart). De Vastentijd begint 40 dagen voor Eerste Paasdag, waarbij de zes zondagen in deze periode niet als vastendag mee tellen. De eerste dag van carnaval valt dan zes weken voor Eerste Paasdag. Carnaval begint officieel op zondag. Pasen kan op zijn vroegst op 22 maart vallen en op zijn laatst op 25 april. Als gevolg daarvan is de vroegst mogelijke dag van carnaval 1 februari en de laatst mogelijke 9 maart.
Zotten en narren
Een aantal zaken valt op bij het feest van carnaval. Echte carnavalsvierders beginnen al op 11 november met hun voorbereidingen. Elf staat voor het gekkengetal, en de elfde van de elfde is dan de zotheid ten top. Vanaf die dag regeert Prins Carnaval met zijn regering, democratisch gekozen en al, tot het moment van Aswoensdag, wanneer hij zijn macht weer af zal leggen.
Dit is een opmerkelijke dag, deze 11de november. Wij denken aan het feest van Sint-Maarten dat een aanzet geeft tot een eerste reiken naar Kerstmis. Zo niet de carnavalsvierders. De wereld wordt werkelijk op zijn kop gezet. Weg met de ernst en toewijding, lang leve de lol. De namen van woonplaatsen worden veranderd in kolderieke dialectklanken, er gelden eigen wetten en statuten, eigen ceremonies ook, en bovenal wordt er gefeest, met drank en alles erbij.
Loslaten van het oude om ruimte te maken voor het nieuwe
In welk licht moeten wij dit bezien, dit aardse feestgedruis? Ogenschijnlijk ontwijken de carnavalsvierders de innerlijke weg die zich richt op het licht dat met Kerstmis ons hart wil binnenstromen. Ogenschijnlijk gaan zij een uiterlijke, een weg die zich overgeeft aan oppervlakkig plezier en uiterlijke genoegens, overeenkomstig de kaalheid van de natuur bovengronds. In de kerstperiode lijken de feestvierders zich even stil te houden, om in januari weer aarzelend met hun schimmenrijk te voorschijn te komen. Waarom, wat gebeurt hier?
Laten we de natuur in de maand februari eens bekijken. Het aantal uren zon neemt zichtbaar toe. Voorzichtig dient het leven zich aan, in sneeuwklokjes, in ontluikende krokussen en in de eerste kieviten boven de weilanden. Maar het meeste leven houdt zich nog verborgen. Het is immers nog winter.
Dit brengt een stille angst met zich mee. Zal het nieuwe leven uitbotten en gaan we een vruchtbaar jaar tegemoet, of zullen de levenskrachten niet toereikend zijn om door de aardkorst heen te breken? In februari begint dit zichtbaar te worden. Het is een spannende periode in de natuur, waarbij een eerste glimp merkbaar is van de strijd tussen leven en dood die in de week voor Pasen zo’n rol zal spelen.
De naar boven gerichte kiemkracht en de naar beneden op de dood gerichte natuur kruisen elkaar hier. Het sterkst zien we dit bij de bomen. In februari, de sprokkelmaand, verliezen zij hun dode takken om zodoende ruimte te geven aan de groei van nieuwe loten en twijgjes. Dit is een typerend beeld, het loslaten van het oude, het dode, om ruimte te maken voor het nieuwe leven. Dit beeld herkennen we ook bij carnaval.
Om dit zichtbaar te maken, keren we even terug naar de oorsprong van het carnavalsfeest. De maskers zoals de Griekse en Romeinse toneelspelers die droegen, heetten in het Latijn personae. Dat is afgeleid van het woord per-sonare, wat “erdoorheen klinken” betekent. Ons woord persoon is hiervan afkomstig, en aldus te herleiden tot een masker, een masker dat vroeger het geestelijke leven door de mens heen kon laten klinken. Men beleefde de eigen identiteit toen als afkomstig van de goden.
Tegelijk was het leven aan gene zijde het rijk waar de gestorvenen naar toe gingen, het dodenrijk. Het masker dat men opzette, fungeerde daardoor tevens als dodenmasker. Het dragen van zo’n dodenmasker gaf de mens bij uitstek de mogelijkheid zich met “het dode in zichzelf” uiteen te zetten. Door zich te verkleden, te dansen, te springen, gek te doen, schudde hij in zijn beleving de (angst voor de) dood van zich af.
De carnavalsvierders doen in feite niet anders. Door te feesten schudden ze hun eigen “dode takken” eraf en creëren zodoende ruimte om weer fris en nieuw het leven op te pakken.
Die “dode takken” zijn in feite onze verharde buitenkanten. Die hebben we allemaal, carnavalsvierder of niet. Het is belangrijk dat te erkennen. Het gevaar van een al te serieus goddienstig leven is nu dat men zozeer opgaat in het hemelse, dat het aardse minder scherp doorzien wordt. Ofwel, dat juist hier het ego, gevoed door idealen en verheven gevoelens, soms opgeblazen en onecht, en daardoor verhard kan zijn. De buitenkant is dan een pantser dat de innerlijke motieven juist tegenhoudt.
Loslaten, daar gaat het om met carnaval, overgave aan de beleving. Als dit ons lukt, bijvoorbeeld in een uitgelaten feest vol zang en dans – en dat hoeft niet eens carnaval te zijn – dan kunnen we merken hoe er nieuwe ruimte in onszelf ontstaat.
Niet zoals bij de Grieken van bovenaf afkomstig, want dat was een andere tijd. Nu gebeurt het van binnenuit, alsof we het nieuwe leven in onszelf vrijmaken. Dit geeft energie, zin om te leven, een vernieuwd vertrouwen. Wellicht voelen we de lente al tintelen, voelen we hoe het nieuwe leven in en om ons heen gestalte probeert te krijgen.
Ons eigen pantser doorzien, dit van ons af schudden, onszelf niet altijd even serieus nemen, dat is carnaval. Hoe we dat doen, staat ons vrij. We kunnen als echte carnavalsvierders opgaan in het volkse feestgedruis, natuurlijk. Wanneer we dat doen, bewerkstelligen we niets minder dan een aardse reiniging. Als voorbereiding op een nieuwe lente.
