verbindt wie mee wil blijven bewegen


In vele schoolgidsen staat uitgelegd hoe aan ons vrijeschoolonderwijs de ontwikkelingsfasen ten grondslag liggen. Hier een voorbeeld van de Driestroom in Den Bosch, en een uitwerking van Widar in Groningen.

In de totale ontwikkelingsweg van het kind zijn drie belangrijke fasen te onderscheiden. In de eerste zeven levensjaren ligt het hoofdaccent op de lichamelijke ontwikkeling in de tweede zeven jaar gaat het vooral om de ontwikkeling van het gevoelsleven (moraliteit, kunstzinnigheid) en na het veertiende jaar ligt het accent meer op de ontplooiing  van het zelfstandig denken.

Op dit uitgangspunt is het leerplan van de vrijeschool geënt. Het begeleidt als een organisch ondersteunend bouwwerk de stappen die een kind zet in zijn groei naar volwassenheid.

0-7 jaar

De lichamelijke ontwikkeling vraagt om een harmonische omgeving waarin het kind spelend vanuit zijn lichamelijke activiteit de wereld verkent. Zo oefent het en leert het zich in de ruimte te oriënteren.

Belangrijke aspecten daarbij zijn: vaste ritmen in het dagverloop, een vertrouwde omgeving die tot activiteit uitnodigt en die de betovering der dingen heel laat. Inhouden die verteerbaar zijn en niet vooruitlopen op volgende fasen en een sfeer waarin nabootsing mogelijk is (peuter- en kleuterfase). Op deze wijze leert het jonge kind zich steeds beter thuis te gaan voelen in zijn eigen lichaam.

“Geen vaten vullen, maar het vuur van het enthousiasme ontsteken”

Na deze eerste periode treden de psychische kwaliteiten meer op de voorgrond (7 tot 14 jaar). Het kind beleeft zichzelf en zijn omgeving nu vooral in zijn gevoelens. Daarom tracht de school allereerst bij het gevoelsleven van het kind aan te sluiten door het voor de leerstof ‘warm’ te laten lopen, enthousiast te maken.

De ontwikkeling van het gevoelsleven vraagt om kunstzinnig onderwijs. Kunstzinnig onderwijs is het op een kunstzinnige wijze aanreiken, opnemen en verwerken van de lesstof. De leraar is in deze zin meer een kunstenaar die elke keer weer op een nieuwe, boeiende wijze vorm probeert te geven aan de lesstof, zodat de kinderen geïnspireerd worden tot leren en creativiteit daarbij. Zinvolle lichaamsbewegingen worden gekoppeld aan leerinhouden en bieden verrassende mogelijkheden om een kind te bereiken.

Ook het denken en willen worden aangesproken. Wat het kind weet, is hierbij minder belangrijk dan hoe het kind denkt. In aanleg denkt  bijna elk kind origineel, creatief en probleemoplossend. Het is aan de ouders en de school om dat vermogen te behoeden, te koesteren en te verzorgen.

Typerend voor het vrijeschoolonderwijs is het op het juiste moment aanbieden van de ontwikkelingsstof, niet te vroeg en niet te laat. Binnen de school willen we wakker zijn voor leeftijdsfasen: “Geef je baby geen hutspot en je puber geen pap”. Kortom: geef het niet meer, maar ook niet minder dan het verteren kan.

Wat we verder nog belangrijk vinden in ons onderwijs

Wij vinden het wenselijk dat jonge mensen leren zelfstandig en onafhankelijk van anderen flexibel en creatief te denken en te handelen.

Wij vinden het van belang dat wij kinderen opvoeden tot jonge mensen die later in vrijheid en met gevoel voor verantwoordelijkheid voor zichzelf, medemens en milieu in het leven kunnen staan. Voorwaarde daarvoor is levensvertrouwen en zelfvertrouwen.

Alle leerstof wordt aangewend om ons op dit doel te richten.

14-21 jaar

In de derde periode van zeven jaar staat de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid centraal. De jonge mens is op zoek naar zijn eigen individuele weg en kan worden aangesproken op eigen initiatief en verantwoordelijkheid.

Uitwerking door vrijeschool Widar in Groningen

Het kind en zijn ontwikkelingsfasen

De pedagogiek onderscheidt in de kinderlijke ontwikkeling een aantal periodes waarin het kind anders in de wereld staat en op een andere manier leert. Hieronder geven wij in het kort een beeld van deze ontwikkeling.

Peuter

Een kind dat in de peuterklas komt zet vaak zijn eerste stap in de wereld, voor de eerste keer los van vader en moeder. Het is daarom van het grootste belang dat de peuter zich in de klas veilig en geborgen kan voelen. De vaste dagindeling van de ochtenden, het gebruik van natuurlijke (spel) materialen en een rustige sfeer dragen hiertoe bij. Al spelend ontdekt het kind de mogelijkheden van de wereld om zich heen. In de klas gaan de kinderen in de stroom van de activiteiten mee: de juffie is bezig en de kinderen spelen om haar heen en ‘helpen’ haar. Nabootsing speelt, net als in de kleuterklas, een belangrijke rol in het spel van de peuter. Iedere ochtend worden er samen broodjes gebakken en gegeten. De liedjes die worden gezongen, de spelletjes die worden gedaan en de inrichting van het lokaal zijn afgestemd op de seizoenen. Het ritme van het jaar en het ritme van de dag vormen op deze manier de basis van de activiteiten.

Kleuter

Kleuters leren door hun spel. Niet alleen met het hoofd, maar vooral ook met de zintuigen en de ledematen. Nabootsing, ritme en regelmaat zijn de leermiddelen. Nabootsing van de leerkracht, maar ook nabootsing van de oudere kleuter. Vandaar dat de groepen heterogeen zijn opgebouwd. In iedere kleuterklas zitten kinderen van 4 tot en met 6 jaar. In de kleuterklas bieden de leerkrachten via geleid spel, verhalen, vingerspelletjes, muziek en handvaardigheidsactiviteiten van alles aan dat het kind kan nabootsen en herhalen. In het vrije spel breidt de kleuter dit uit met zijn fantasie en worden de banken treinen en de blokken boten. Net als bij de peuters volgen de leerkrachten het ritme van het jaar. De jaarfeesten nemen daarbij een belangrijke plaats in. In de kleuterklas is speelgoed van allerlei natuurlijke materialen aanwezig. Het lokaal is zo ingericht dat het de kleuters uitnodigt, de zintuigen stimuleert en de fantasie opwekt. De afwisseling tussen actief en ontvangend bezig zijn en de vaste opbouw van de dag zorgen voor ritme en regelmaat in de kleuterklas.

Klas 1

Rond het 6e jaar wordt het kind leerrijp. Steeds meer gaat het kind leren door middel van het gesproken woord van de leerkracht. De ontdekkingen worden abstracter. Het kind leert in de klas de grote culturele vaardigheden: schrijven, lezen en rekenen. Spel en beweging blijven belangrijke didactische middelen. In de rekenles zijn de handen en voeten net zo actief als het hoofd. Bij taal wordt getekend, gezongen en toneel gespeeld. Maar er zijn ook stille momenten, bijvoorbeeld tijdens het verhaal en het zelfstandig werken. Verhalen nemen een belangrijke plaats in binnen het vrijeschoolonderwijs. Zij volgen de belevingswereld van het opgroeiende kind. In de eerste klas vormen sprookjes de vertelstof.

Klas 2

Heiligenlegenden en fabels zijn de vertelstof voor de tweede klas. In de heiligenlegenden vinden we de volmaaktheid, het nastrevenswaardige. De fabels vormen hiermee een tegenhanger. Hierin komt de eenzijdigheid tot uitdrukking en daarmee het herkenbare voor de tweedeklasser. De kinderen beginnen, zij het vooral bij de ander, de menselijke zwakheden te herkennen. Rekenen en taal krijgen verdieping. Voorzichtig geleid wordt de wereld verder verkend. Het beleven van de rijkdom van de buitenwereld voedt en ontwikkelt de binnenwereld van het kind.

Klas 3

Vanaf het 9e jaar wordt het kind zelfstandiger. Het wil steeds meer zelf ontdekken, zelf kijken, waarnemen en verwerken. Het Oude Testament vormt de vertelstof. Het beeld van het Joodse volk dat eerst nog geleid wordt en nu op eigen benen moet leren staan is het beeld van de derdeklasser. Van de beeldende wereld in de verhalen en de fantasie treedt het kind geleidelijk binnen in de aardse werkelijkheid. Ambachten worden behandeld en beleefd door middel van excursies en het zelf doen bij handvaardigheid. Zo krijgt de derdeklasser handvatten aangereikt om de wereld aan te pakken. Naast denken en voelen wordt het willen nu meer aangesproken.

Klas 4

De Noorse mythologie is de vertelstof van de vierde klas. In de Edda wordt de eindstrijd tussen de goden en reuzenwereld beschreven. Al het oude wordt vernietigd. De volkomen wereld van de de goden bestaat niet meer, maar daarmee komt er ruimte voor de ontwikkeling van de mens. De vierdeklasser krijgt het besef dat het niet alleen een deel van het geheel uitmaakt maar ook als individu zijn weg moet zoeken. Bij rekenen wordt kennis gemaakt met de breuken. Ook hier blijkt het geheel uit delen te kunnen bestaan. Bij taal worden de woordsoorten en zinsdelen behandeld, zinnen worden ‘opgebroken’ in te analyseren delen. Bij aardrijkskunde wordt eerst de wereld dicht bij eigen huis en tuin bekeken en deze verkenning wordt gedurende het jaar uitgebreid tot kennis van Nederland Mens –en dierkunde worden behandeld. De vergelijking tussen mens en dier, waarin het dier in zijn eenzijdigheid uitblinkt en de mens in zijn veelzijdigheid alles ´een beetje´ kan. De spreuk die de leerlingen vanaf de vierde klas iedere ochtend zeggen begint met: “Ik zie rond in de wereld……”, en dat is wat ze doen. De kinderen krijgen ICT lessen.

Klas 5

In de vijfde klas wordt de Griekse mythologie gegeven als ontwikkelings– en vertelstof. De Griekse goden onderhouden zich met de mensen en belichamen tot in het perfecte alle menselijke aspecten. Ook de vijfdeklassers krijgen meer oog voor elkaars karaktereigenschappen en er wordt intensief met elkaar omgegaan. De culturen die een rol van betekenis voor de mensheid hebben gespeeld worden uitgebreid behandeld. Het oude Indië, Mesopotamië, Perzië, Egypte en Griekenland komen aan bod. De geschiedenis wordt vanuit het verste verleden opgepakt en vormt zo een parallel met de ontwikkeling van kind tot nu toe. Ook krijgen de kinderen zo een beeld van de grote wereldgodsdiensten. Heemkunde wordt kennis van Europa en economische aardrijkskunde. De plantkunde neemt een belangrijke plaats in. De ontwikkeling van de plant wordt hierbij vergeleken met de ontwikkeling van een mens. De kinderen krijgen ICT lessen.

Klas 6

De zesdeklasser moet zijn weg gaan vinden in de wereld. Vertelstof is de Romeinse geschiedenis, waar wetten, orde en regels de samenleving structureerden. In de klas worden de werelddelen behandeld, aansluitend bij de groter wordende wereld van de zesdeklasser. De kinderen oefenen in exactheid met meetkunde. Bij natuurkunde oefenen zij in objectief waarnemen: geen verklaringen over oorzaken maar waarnemen! Het rekenen behandelt percentages en verhoudingen. Taal wordt geanalyseerd met oefenen van zinsdelen en woordsoorten. Daarnaast is er aandacht voor de schoonheid van de taal door middel van poëzie en het leren van uitdrukkingsvormen en verschillende stijlen. Er is een periode mineralogie: na het leren kennen van het dieren en plantenrijk in de voorgaande jaren komt nu het natuurrijk van de stenen aan bod.

Ritme

Leven is gebaseerd op een ritme van in- en uitademing. Dit ritme vinden we terug in allerlei natuurlijke processen; de afwisseling van dag en nacht, de afwisseling van werkdagen en weekend en de afwisseling van de seizoenen. In het leerplan komt dit ritme van in- en uitademing op verschillende niveaus terug. Door de loop van het jaar leven we mee met het ritme van de seizoenen: meer ingekeerd zijn in de winter tegenover het uitbundig meebeleven van de zomer. Het ritme van de seizoenen uit zich in de jaarfeesten: Michaël, St Maarten en Sinterklaas in de herfst, advent en Kerstmis in de winter, Pasen en Pinksteren in de lente en St Jan in de zomer nemen in dit beleven een belangrijke plaats in. Binnen een lesdag wordt het ritme van in- en uitademing gevormd door het accent op het hoofdonderwijs in de ochtend en de meer kunstzinnige en doe-vakken in de middag. Ook tijdens de lessen zelf streeft de leerkracht naar afwisseling van geconcentreerd opnemen en actief uitwerken van de leerstof.

Bronnen: Schoolgids Driestroom Den Bosch Schoolgids Widar Groningen Foto (c) Michiel Wijnbergh