verbindt wie mee wil blijven bewegen


Hennie de Gans-Wiggermans van het prachtige blad ‘Rondom het Kind’ was bij een regulier congres over het belang van spelen voor kinderen in de jongste twee groepen. Dan hoor je het eens van een ander…

Dat er behoefte is aan informatie over spelen, ook in het reguliere onderwijs, bewijst de opkomst van het congres: ruim 120 deelnemers aan deze dag, die gehouden werd in Antropia te Driebergen. De meeste deelnemers waren klassenleerkracht, maar ook intern begeleiders (IB), klassenassistenten en directeuren bezochten dit congres. De enige kleuterleidster die als zodanig op de deelnemerslijst vermeld stond, kwam van een vrijeschool.

In de aankondiging stond de volgende vraag:

Kleuters kunnen niet anders dan spelen. Maar als het spelen minder goed verloopt is een passende begeleiding essentieel. Welke spelinterventies zet u in om de spelkwaliteit bij kleuters te verhogen? Hoe zorgt u voor een goede verhouding tussen geleide, begeleide en vrije activiteiten? En hoe verenigt u het voldoen aan de eisen die vanuit de inspectie gesteld worden met het spelend leren van kleuters?

Stop met alles erin stoppen!

Dagvoorzitter Betsy van der Grift opende de dag met een aantal vragen zoals: ‘Waarom is spelen een probleem? Hoe kun je voldoen aan de eisen en de behoefte van de kinderen? Wie toetst er nog en wanneer?’ Op die laatste vraag antwoordden een flink aantal aanwezigen bevestigend. Het advies was meteen te stoppen met toetsen, het hoeft niet meer, dus waarom zou je het nog doen? Een ander antwoord uit de zaal, dat tegelijkertijd een vraag inhield was: Er is te weinig tijd om te spelen, omdat er zoveel moet, maar vooral omdat de kinderen veel te vroeg naar groep 3 gaan.

Betsy had juist de week ervoor haar nieuwste boek gepresenteerd dat ging over peuteren of kleuteren. Ook is zij de auteur van het boek: Kinderkoppie, waarin duidelijk gesteld wordt dat peuters en ook kleuters nog niet klaar zijn voor het intellectuele leren dat vanuit Den Haag gevraagd wordt. Bij het ministerie gaat men uit van opbrengst. De school is verkaveld in verschillende groepen om op het eind een zo groot mogelijk resultaat te halen. Taal en rekenen zijn het belangrijkst en om resultaat te behalen moet er zo vroeg mogelijk, dus eerder, begonnen worden. Als een kind in groep 3 komt, moet het al wel iets kunnen.

Het kinderbrein, zoals uit onderzoek is gebleken, is echter nog niet af. Het hulpeloos ontwikkelde brein heeft hier 25 tot 30 jaar voor nodig. Bij meisjes gaat dit vaak iets sneller. Het brein ontwikkelt zich van binnen naar buiten en van achteren naar voren. Jonge kinderen zijn biologisch nog niet toe aan het cognitieve leren. Het draait bij hen vooral om overleven. Het kind heeft de zorg van de volwassenen nodig. Kinderen nemen waar en verzamelen. Lopen leert het kind door zelf te oefenen, niet omdat de volwassene uitlegt wat het moet doen. In de peuterleeftijd gaan kinderen de structuren begrijpen van oorzaak en gevolg en dat geeft een enorme grip op de wereld. De taalfuncties liggen klaar. Mooi taalgebruik in de omgeving gebruikt het kind om te leren spreken. Het brein is een soort computer die dit ordent voor de kinderen. Kleuters zijn in de ordeningsfase (zie het boek Kinderkoppie).

Stop daarom met alles erin stoppen! Zij kunnen dit nog niet aan. Begeleid de kinderen in hun ontwikkeling en breng geduld op om dit te doen. Dit is het werk van de volwassenen en niet van de kinderen.

Jonge kinderen leren door de ervaring van het doen! Als men voldoet aan deze leerbehoefte van de kleuters, resulteert dat in opbrengst. Kleuters hanteren hun eigen instrumentarium. Pas met 7 jaar is het brein klaar voor het intellectuele leren. Na deze boodschap, die in de vrijescholen al jaren gehanteerd wordt, komt de volgende spreker.

Lettermuren moeten weg uit de klas, hier leren kinderen niet lezen en schrijven door!

Bea Pompert, directeur Landelijk centrum voor Ontwikkelingsgericht Onderwijs ‘De activiteit’, vertelt hoe je spelactiviteiten kunt integreren in de lesvoorwaarden. Het gaat hier met name over kinderen die niet tot spel komen en kinderen die door interventie van de groepsleerkracht hun spel kunnen verbreden.

Ze geeft voorbeelden hoe je zelf kunt deelnemen aan het spel. De thema’s worden door de leerkracht aan de hand van gesprekken met de kinderen gekozen en uitgewerkt. Zo worden het thematische rollenspelen. Kinderen spelen de wereld na, ze krijgen te maken met regels en afspraken. Ze geeft tips hoe je als volwassene vanuit het doen kunt aansluiten bij de handelingen van de kinderen.

Spel is ont-moeten, van kind en kind, van kind en volwassene, en van kind en wereld. Moeten kan de ontwikkeling ernstig belemmeren. Spreekster laat met beelden zien dat de hele klas meespeelt, ook in de zogenaamde hoeken. De leerkracht is er om een rijke speelomgeving te bieden, ze gaat samen met de kinderen aan de slag, doet voor, doet mee en observeert. Voegt toe, reflecteert en evalueert. Kleuters ‘vergeten’ in de zomervakantie en gaan na de vakantie rijker door. Sommige dingen liggen klaar in ons brein, andere moeten aangeleerd worden, zoals schrijven. Maar pas als de tijd er rijp voor is.

Vooral niet invullen wat je denkt dat ze spelen en dat zeggen.

Annerieke Boland, Hogeschool iPABO, vertelt over het observeren van spel: Spelend leren….. begint met observeren! Hoe observeer je het spel van de kleuters en hoe herken je de betrokkenheid van jonge kinderen? Hoe is de ontwikkeling van manipulerend spel naar rollenspel? Om dat te kunnen hanteren moet je eerst weten wat spel is.

Spel is een bepaalde vorm is van een culturele activiteit, stelt Annerieke Boland. Een activiteit met regels en een hoge betrokkenheid van de deelnemers. De betrokkenheid van de kinderen bij het spel herken je aan de concentratie, waarmee gespeeld wordt. Zijn de kinderen geboeid, gemotiveerd en vol energie?

Betrokkenheid kan gemeten worden met de zogenaamde Leuvense betrokkenheidsschaal (LBS). Die bestaat uit twee delen. Er is een lijst met signalen van gedrag en vijf schaalvoorwaarden waarin onderscheid wordt gegeven in niveaus van betrokkenheid. Aan de hand van foto’s vindt vraagstelling plaats en wordt aangegeven waar opgelet kan worden.

De betrokkenheid kan onder andere verhoogd en bevorderd worden door het werken aan een positief klasklimaat en aanpassingen aan de mogelijkheden van elk kind. Vooral niet vragen: Wat doe je? Wat maak je? Wat is dat? Of erger nog: invullen wat je denkt dat ze spelen en dat zeggen! Observeren doe je door rust te nemen in de nabijheid van spelende kinderen, gaan zitten, kijken, luisteren en stil te zijn. Leef je in en probeer de intentie van de kinderen te begrijpen.

Bij kinderen die niet tot spel komen moet de leerkracht aan de slag.

Kobi Wanningen is coördinator Expertise Centrum Jonge Kind Seminarium Orthopedagogiek.

Zij spreekt over het spel stimuleren, verdiepen en verbreden en vertelt met name over kinderen die niet vanzelf tot spel komen en de rol die daar voor de leerkracht ligt.

Ze haalt twee onderzoeken aan: EPPE, the Effectieve Provision of Pre-School Educationproject van verschillende universiteiten in Groot Brittannië, en een onderzoek naar Utrechts kwaliteitskader voor educatie van het jonge kind.

Kinderen leren door te spelen. Ze kunnen in hun spel groot zijn. Het wekt nieuwsgierigheid, uitdaging, actieve fysieke betrokkenheid. Het motorisch handelen leert hen dingen te begrijpen en inzichten verwerven. Ze doen concrete ervaringen op. Ze leren initiatief te nemen en zich aan een taak te houden. Ze moeten zich aan zelfgemaakte regels houden en zelf controle doen. Dit geldt voor gezonde kinderen, maar er zijn er ook die op de een of andere manier niet tot spel komen. Dit zijn de kinderen die moeilijk communiceren, met weinig zelfcontrole, met probleemgedrag, een ontwikkelingsachterstand of -voorsprong. Bij deze groep kinderen moet de leerkracht aan de slag. Elementair is om van tevoren te weten wat je bij hen wilt bereiken. Kinderen willen zich gezien voelen, groot zijn, erbij horen en vooral plezier hebben.

Iedereen liet zich de lunch van Antropia goed smaken en onderwijl kwamen de gesprekken op gang over de inhoud van die ochtend. Hieruit bleek de moeite van de leerkrachten met de gang van zaken in de scholen ten opzichte van de kleuters en hoe al deze suggesties, die overigens met enthousiasme waren ontvangen, in te passen in hun overvolle klassen. Door deze gesprekken was de lunchtijd snel voorbij en zocht men een van de vier werkgroepen op.

Spelscripts

De werkgroep van Mirella Raijmakers, Specialist Jonge Kind, spelspecialist en groepsleerkracht, ging verder in op de voordracht van Bea Pompert over spelscripts. Hierover heeft zij een artikel geschreven in het blad Het jonge kind van maart 2014. Zij vertelde hoe zij dat samen met haar duo-partner in de klas vorm gaf. In de hand-out die iedereen kreeg, stond alles nog eens uitgewerkt. Vooral de jonge mensen konden zich vinden in dat wat zij aanreikte. De meer ervaren kleuterleerkrachten, die de KLOS nog hadden doorlopen, konden hier niet veel mee. Een aantal van hen gaf aan dat het spel wel heel erg vastgelegd werd door deze manier van werken. Mirella antwoordde dat het zoals Bea in haar presentatie aangaf vooral was bedoeld voor die kinderen die niet tot spelen kwamen, maar dat de hele groep er mee aan de gang kon.

Verschillen in leerstijl en tempo van ontwikkeling bij jongens en meisjes

Na een snel kopje thee op naar de volgende werkgroep van Carla van Deelen, docent en expert Seminarium voor Orthopedagogiek. Zij begreep meteen onze vermoeidheid na zo’n lange dag en speelde daarop in. Door de aanschouwelijke presentatie wist ze iedereen te boeien. Ze begon met de vraag waarom we zoveel getalenteerde jongens kwijtraakten in het onderwijs en waarom juist zij gedragsproblemen vertonen.

De feminisatie van het onderwijs helpt niet echt. Jongens krijgen geen voorbeeld, maar worden vooral niet aangesproken op wat ze wél kunnen. Er is geen verschil in intelligentie, maar hersenonderzoek wijst uit dat er biologische verschillen zijn in tempo van ontwikkeling bij jongens en meisjes. (Martine Delfos)

Er is een andere wijze van ontwikkelen en een andere leerstijl (Tavecchio). De manier waarop de omgeving inspeelt op deze verschillen in aanleg en rijping speelt een belangrijke rol in kansen en risico’s bij jongens. Het gevolg van deze verschillen:

Jongens:                                                                           Meisjes:

Creatief en abstract                                       1-1,5 jaar voorsprong in taal

Visueel en ruimtelijk ingesteld                   Verbaal ingesteld

Energiek vraagt om actie                             Gericht op gezicht en contact

Onderzoekend ingesteld                              Gericht op mensen en relaties

Intuïtief en impulsief in reacties                Samenwerken

Trial en error                                                  Aardig willen zijn en aanpassen

Groeien meer in spurts                                 Groeien geleidelijker

Vragen om gerichte feedback                      Plannen en overzien risico’s

Spel moet hierop aansluiten anders komt er geen verbinding. Jongens zijn energiek, door veel bewegen en veel doen maken jongens zoveel stoffen aan dat ze hun bewustzijn vergroten. Jongens zijn visueel ingesteld, hen visueel ondersteunen helpt ook. Laat daarom zien wat je zegt door een beeld (tekening of plaat) of door het maken van een beweging. Als een jongen hoog in een boom is geklommen kun je angstig roepen dat hij er snel uit moet komen, maar je kunt hem ook prijzen en zeggen: ‘Wat ben je hoog geklommen, knap hoor, maar kom nu maar weer naar beneden!’ Je prijst hem dan, maar laat ook blijken dat hij weer naar beneden moet komen. Je vertaalt dan de kenmerken van jongens naar hun behoefte.

Het huidige onderwijs vraagt van iedereen hetzelfde en bestaat uit:

  • Stilzitten en luisteren
  • Veel wachten
  • Verbale informatie
  • Relatiegericht
  • Vermijden van risico’s
  • Inzet en motivatie voor schools leren
  • Toetsen vervolgonderwijs voordat jongens daar rijp voor zijn. De toetsen worden een jaar te vroeg gedaan

Om te ‘worden wie je bent’ moet de leerkracht daarop inspelen of zoals Theo Maassen in Duurzaam opvoeden en ontwikkelen zei: ‘De beste docent hoorde dat mijn stem niet geschikt was om te zingen en zag dat mijn motoriek niet geschikt was om te dansen, maar hij genoot van mijn improvisaties en wilde die authentiek vergroten.’

Zwaartekracht ontkennen maakt geen indruk op de zwaartekracht. Een andere leerstijl vraagt om een ander aanbod! Als we hier op inspelen kunnen we jongens helpen in hun ontwikkeling.

Tenslotte werden de deelnemers aan deze werkgroep uitgenodigd op lijsten in te vullen op welke plek in school dit extra bewegingselement vorm gegeven kon worden. Een boeiende en een voor het jongens/meisjes probleem wakker makende werkgroep.

Een aanrader voor iedereen die met jonge kinderen werkt!

Mijn indruk van dit congres over spel is heel positief. Vooral het feit dat men kleuters weer wil laten spelen en op welke manier de leerkracht hier een bijdrage aan kan geven speelde door op deze dag en maakte dat veel van de aanwezigen en ook ik kunnen terugkijken op een leerzame dag.

Omdat het congres al snel was volgeboekt volgt een herhaling op woensdag 15 april 2015.

Geschreven door Hennie de Gans-Wiggermans

Uit ‘Rondom het Kind’ (2014 nr.4), een tijdschrift voor en door iedereen die zich betrokken voelt bij de antroposofisch geïnspireerde pedagogie voor kinderen van nul tot zeven jaar.