verbindt wie mee wil blijven bewegen


Als een rode draad loopt de taalontwikkeling door de vroegkinderlijke ontwikkeling als geheel van fysieke groei, emotionele en cognitieve groei heen.

Horen vormt de basis voor de auditieve waarneming die leidt tot de fonologische ontwikkeling (het goed kunnen horen van klanken).

Bewegen vormt de basis voor de beheersing van de spraakmotoriek die leidt tot de uitspraak. Voorwaarde is hierbij dat de anatomie van de spraakorganen geen afwijkingen vertoont.

Leren (denken en leervermogen) vormt de basis voor het geheugen dat leidt tot woordenschat en kennis van grammaticale regels.

Taalaanbod zorgt ervoor dat het geheugen van kinderen gevuld kan worden.

Bij ons op school wordt een rijke omgeving voor kleuters geboden door:

  • -Breed en goed opgeleide leerkrachten;
  • -Uitdagend materiaal in een veilige binnen- en buitenomgeving;
  • -een rijk aanbod aan gesproken taal en veel uitdaging tot vrij spel.

Jonge kinderen moeten immers de ruimte krijgen om zich in volle vrijheid te ontwikkelen. De omgeving moet de gelegenheid geven tot de eerste stap in de breinontwikkeling van het jonge kind. In die stap wordt gewerkt aan de voorwaarden om (later) gestructureerd te kunnen gaan leren. Die voorwaarden worden bereikt in de loop van groep 2 en omvatten:

  • Mondelinge taalvaardigheid;
  • Beheersing van de fijne en grove motoriek;
  • Concentratievermogen;
  • Instructies begrijpen;
  • In een groep kunnen functioneren;
  • Een taakje kunnen uitvoeren;
  • Het denken hebben ontwikkeld tot de concreet- operationele fase (kunnen omzetten in handelen);
  • En bovenal: zelfvertrouwen.

De eerste stap in de breinontwikkeling (0-6 jaar) gebeurt in spontane interactie met de omgeving. De tweede stap in de breinontwikkeling (6-12 jaar) vraagt om gerichte didactische aansturing.

Zorgen bij 4-jarigen in de taalontwikkeling

Als een kleuter op vierjarige leeftijd op school komt, is het grootste gedeelte van zijn/haar taalontwikkeling al doorlopen. Als daarom bij binnenkomst op de basisschool de taalontwikkeling als zwak wordt gezien, is er reden tot zorg. Het is dan zaak om niet af te wachten! Een aantal dingen is dan noodzakelijk, om het kind straks een goede start te kunnen geven in klas 1:

  • – Het stimuleren van de taal door extra taalactiviteiten.
  • – Het vragen van advies aan een logopedist en waar nodig logopedie.

TALIGE MIJLPALEN

Om te bepalen of de taalontwikkeling van een leerling goed verloopt, kan gebruik worden gemaakt van de Minimum Spreeknormen. De spreeknormen zijn talige mijlpalen, die op een bepaalde leeftijd moeten zijn behaald. Mocht een leerling hier niet aan voldoen, dan is er reden tot zorg.

GRONINGER MINIMUM SPREEKNORMEN

12-18 maanden Begrijpt opdrachtjes met twee woorden. Kan een of meer lichaamsdelen aanwijzen. Veel en gevarieerd brabbelen. Af en toe een herkenbaar woord.

18-24 maanden Zegt vijf tot tien woordjes. Begrijpt zinnetjes met drie woorden.

2-2,5 jaar Tweewoorduitingen. Woordopbouw nog onvolledig.

2,5-3 jaar Driewoorduitingen.Woordopbouw nog onvolledig.

3-3,5 jaar Drie- tot vijfwoorduitingen. Ongeveer de helft is verstaanbaar. Vertelt spontaan wel eens een verhaaltje.

3,5-4 jaar Vertelt spontaan wel eens een verhaaltje. Ca. 50-75% is verstaanbaar. Kan een verhaaltje navertellen aan de hand van plaatjes.

4-5,5 jaar Maakt enkelvoudige zinnen. Problemen met meervoudsvormen en vervoegingen. Ca. 75-90% is verstaanbaar.

vanaf 5,5 jaar Goed gevormde, ook samengestelde zinnen. Goed verstaanbaar.

Als taalzwakke kinderen met vier jaar op de basisschool komen, is het echter geen gelopen race. In de kleuterperiode zijn de hersenen nog volop in ontwikkeling. Hersenstructuren worden geformeerd op basis van stimulans uit de omgeving (Goorhuis-Brouwer, 2007). De taalrijke omgeving van de kleuterklas biedt volop mogelijkheden tot deze stimulans.

Lezen en schrijven

Volgens Goorhuis-Brouwer (2007) kan pas met lezen en schrijven worden begonnen, als de Minimum Spreeknormen door de leerlingen behaald zijn. Indien dit niet het geval is, is het belangrijk, om de didactische ontwikkeling van de leerling goed in de gaten te houden. Didactische problemen zijn te verwachten en moeten tijdig aangepakt worden, om een grotere achterstand tegen te gaan! Waarom moeten deze Minimum Spreeknormen behaald worden, voordat er met lezen en schrijven gestart kan worden? Pas als de mondelinge taalvaardigheid goed is opgebouwd en het kind in zijn/haar denken de wereld los van zichzelf kan beschouwen, is het toe aan een bewuste reflectie op taal. Dan begint ook het lezen en schrijven (Goorhuis-Brouwer, 2007).

Belemmeringen

Het is belangrijk, om een onderscheid te maken tussen taalzwakke kinderen en kinderen met taalstoornissen.

Primaire taalstoornissen zijn een kindkenmerk en worden niet veroorzaakt door een te gering taalaanbod vanuit de omgeving.

Veel ontwikkelingsstoornissen hebben gevolgen voor de taalontwikkeling. Er wordt dan gesproken van een secundaire taalstoornis. Hierbij kunt u denken aan een verminderde intelligentie en leer- en gedragsstoornissen (zoals ADHD* en ODD*). Bij stoornissen in het autistisch spectrum is de communicatie altijd een gebied van zorg. En dit behoeft dus altijd aandacht te krijgen bij de begeleiding van een leerling met een ASS*.

Kinderen met primaire en secundaire stoornissen hebben een specifieke begeleiding nodig, omdat hun taalontwikkeling niet het pad volgt van de normale taalontwikkeling. Voor adviezen en informatie hierover kunt u bijvoorbeeld bij de logopedist terecht.

Tot slot

In tegenstelling tot andere gebieden in de ontwikkeling van een kind, moet bij taalzwakke kinderen de taalontwikkeling niet worden afgewacht. Als de leerkracht problemen signaleert, is actie nodig. Als een leerling met vier jaar op de basisschool komt, heeft het kind immers al het grootste gedeelte van de taalontwikkeling doorlopen. Een extra jaar kleuteren heeft geen zin, als er niet actief wordt ingestoken op de taal. Het is dus belangrijk, dat de leerkracht de taalproblemen tijdig signaleert en met de ouders overlegt wat er moet worden gedaan om het kind optimaal te ondersteunen.

Het inschakelen van de logopedist is hierbij belangrijk, om te zorgen voor goede diagnostiek en om adviezen te krijgen over de beste aanpak. Door vroegtijdig in te grijpen, kan het risico op didactische problemen en gedragsproblematiek dan ook worden verminderd.

Noten

  • ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder): aandachtstekort, een hyperactiviteitsstoornis.
  • ODD (Oppositional Defiant Disorder): een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis.
  • ASS (Autisme Spectrum Stoornis). Bijvoorbeeld: de stoornis van Asperger, waarbij sprake is van ernstige tekorten in de sociale interactie.