verbindt wie mee wil blijven bewegen


Verlangen naar Haarlem – stem op één van de genomineerden voor het Haarlems Dagblad

Het Rudolf Steiner College heeft in zijn schoolkrant-nieuwe stijl een verhalenwedstrijd uitgeschreven. Van de 34 inzendingen zijn er vijf verhalen genomineerd voor de hoofdprijs. Lees ze hier en stem op jouw favoriet!
Journalisten van het Haarlems Dagblad zullen de winnaar uitkiezen. De hoofdprijs is een publicatie in die krant.

De wedstrijd was een vrije opdracht: schrijf een kort verhaal dat gaat over het thema: Verlangen naar Haarlem.

Nooit meer terug

Even is het stil in de anders zo luide loopgraven.
Geen schot word geschoten.
Geen bom ontploft.
Een onheilspellende stilte, die de spanning van de mannen beschrijft. Zometeen is het tijd. Tijd om de ladders op te klimmen en te rennen, dwars door het niemandsland.
Hij klemt de kleine foto tussen duim en wijsvinger. De jonge vrouw erop is zwart-wit, maar hij ziet haar lange blonde haar en glanzende lach goed voor zich. En haar mooie, zwarte ogen.
Snel leest hij door haar laatste brief, alweer voor de honderdste keer. Het papier begint te verzwakken, zo vaak is het al opengevouwen.
Marietje, ik zal je gauw terug zien, dat beloof ik je. De oorlog is zo voorbij, had hij haar beloofd bij zijn vertrek. Een jaar later was hij nog niet thuis.
Een jong stel, uiteengescheurd door de oorlog.
Hoe ben ik hier toch beland, zo ver van mijn geliefde Haarlem? Van haar? Hij denkt aan de stad waar hij is opgegroeid. De winkeltjes, de steegjes, de mooie kleine huisjes. Dat is waar ik thuishoor, niet hier, tussen de vreemden. Waarom koos ik nou hiervoor, het hoefde helemaal niet. Ik ging uit vrije wil, verdomme. Was ik maar nooit gegaan.
Hij steekt de brieven en haar foto in zijn jas, vlak naast z’n borst.
Het signaal klinkt.
De mannen klimmen omhoog.
De eerste valt.
Hij slaat een kruis en rent.
Een paar schoten worden gevuurd, maar meer ook niet. Iets klopt niet.
En dan is het er.
Een muur van gas, die alles verslindt.
Marietje, vergeef me alsjeblieft, is het laatste wat hij denkt.

India Zahra

 

Verandering doet pijn

De voordeur kraakte, zoals altijd, toen ik hem open duwde. Ik legde mijn sleutel op het kastje waar de sleutels zoals gewoonlijk lagen. Mijn schoenen deed ik uit en ik voelde de kou van de vloer door mijn voeten omhoog kruipen. Ik liep naar de woonkamer en zag Debbie in haar gebruikelijke stoel een boek lezen. Geërgerd keek ze op en toen onze ogen elkaar ontmoetten, richtte ze haar aandacht weer op het boek. Ik liep naar de keuken en zette water op om koffie te maken.
De kop voelde heet in mijn handen toen ik op de bank ging zitten. Debbie had nog steeds niks tegen mij gezegd sinds ik thuis was gekomen, niet dat het mij verbaast, ze begint nooit een gesprek uit zichzelf.
“Mijn collega Joris heeft gevraagd of ik vanavond mee ga om een biertje te drinken in het Patronaat,” zei ik terwijl ik wachtte tot de koffie genoeg afgekoeld was om te drinken. “Je drinkt nooit bier,” mompelde Debbie, nog steeds met haar aandacht op het boek gericht. Er was een korte stilte voordat ze haar zin vervolgde “Je weet dat ik er niet van houd als je met mensen omgaat, Bob”. Ik nam een slok van de koffie terwijl ik nadacht over een response.
“Het leek me wel leuk om een vriend te hebben, we hebben nu al zo lang geen contact meer gehad met mensen”. “Nee, Bob” siste Debbie, nu keek ze omhoog van haar boek. “Ik wil niet dat je met mensen omgaat, begrijp je?”
Ik negeerde mijn vrouw en stond op. “Wat denk jij te gaan doen?” hoorde ik Debbie achter me zeggen. “Ik ga een biertje drinken met Joris, ik sta wel open voor nieuwe vriendschappen”. Dat zeggende deed ik mijn schoenen aan, pakte mijn sleutels van het kastje waar de sleutels altijd lagen, en liep naar buiten. Ik negeerde het geschreeuw van Debbie dat hij terug moest komen.
Het was ondertussen al laat, maar ik zag licht achter de gordijnen schijnen. Al wetend wat er zou gebeuren, stak ik de huissleutel in het slot.
De voordeur kraakte open, ik deed mijn schoenen uit en legde de sleutels op het kastje waar ze altijd lagen. Ik liep de woonkamer in. Ik was verbaasd toen ik Debbie niet in haar gebruikelijke stoel zag zitten. Ik draaide me om in de richting van de keuken. Ineens stond Debbie nog geen meter achter mij en ik voelde een misselijkmakende, pijnlijke steek in mijn zij. “Ik zei toch dat je niet weg mocht gaan,” zei ze, voordat alles zwart voor mijn ogen werd.

Maaike Acda

 

De nachtrit

‘Ik haat hakken, ik ga ze nooit meer aan doen’. Hanna zit op een stoel en ze masseert haar pijnlijke voeten. Hij lacht. Hij kijkt naar haar en loopt naar de garderobe om de jassen te gaan halen. Als hij terug komt zit Hanna nog steeds op de stoel.
‘Hier is je jas,’ zegt hij, en geeft Hanna haar jas aan. Samen lopen ze de drukke discotheek uit. Hanna heeft haar hakken in de hand. ‘Ik moet wachten op mijn vriendinnen, ik zou met hun mee gaan naar huis’. ‘Echt? Ik zag ze namelijk net vertrekken,’ zegt hij terwijl hij haar aankijkt. Zijn groten blauwe ogen kijken haar aan. Ze lacht, en samen lopen ze verder.
‘Ga je me naar huis brengen,’ vraagt ze aan hem terwijl ze over het plein lopen. ‘Natuurlijk,.’ Hij kijkt om zich heen, op zoek naar zijn auto. Als hij de auto ziet, lopen ze er samen heen.
‘Hier stap maar in.’ Hanna kijkt hem even achterdochtig aan, maar stapt dan uiteindelijk toch in. En dan rijden ze weg. ‘Waar woon je,’ vraagt hij aan haar. ‘Ik zet het wel in de TomTom,’ zegt ze praktisch en ze pakt de TomTom en begint haar adres in te vullen. Na het invullen van haar adres rijden ze zwijgend verder. Na tien minuten geeft de TomTom aan dat ze rechtsaf moeten slaan, maar hij gaat rechtdoor. ‘We hadden niet rechtsaf gemoeten,’ zegt Hanna. ‘Oh, nou we pakken de volgende wel,’ is zijn antwoord en hij blijft stug voor zich uit kijken. Maar de bij de volgende afslag gaan ze ook rechtdoor. Hanna begint zenuwachtig te worden. Op het moment dat ze de deur van de auto wil openmaken, gaan alle deuren op slot. ‘Wat doe je,’ vraagt Hanna, ze kan de angst in haar stem nu niet meer verbergen. ‘Gewoon… Gewoon, even een stukje rijden’. Hanna slikt. Waarom ben ik ook met hem mee gegaan? Vraagt ze zich zelf af. Op dat moment slaan ze een klein zij weggetje in. Ze rijden steeds verder van de bewoonde wereld.

De volgende maand word een lichaam van het vermiste meisje gevonden. Begraven in het bos. En de dader is onvindbaar…

Bente Wanders

 

Een nieuw leven

Ik word begeleid naar mijn cel, over twee dagen moet ik voor de rechter komen.
Het is hier een vies leeg hok, met allemaal tekeningen op de muur en een klein hard bed in de hoek. Daarnaast staat metalen wc.
Ik ren weg, de straat uit, de hoek om, langs het politiebureau waar Meike werkt, weg… weg van huis. Ik ren en ren totdat ik in een of ander park aan het einde van de stad kom, De Hout geloof ik. Hier zak ik huilend neer op een bankje. Het regent, ik ben doorweekt en kan nergens heen. Na een uur in de stromende regen gezeten te hebben, weet ik niet meer wat ik moet doen. In tranen bel ik Meike op of ze me kan komen halen. Ze komt er snel aan en even later zit ik bij papa op de bank. En daar zie ik het, in de open kluis, het dienstwapen van Meike. Een gedachte schiet door mijn hoofd. Wat nou als… dan ben ik van alles af… NEE! “Ik ga even hardlopen! Even mijn hoofd legen”. Ik loop via de kluis naar boven, ik gris het wapen eruit en ren door naar boven om mij om te kleden.
Daar zit ik dan, voor de kinderrechter. In het Haarlemse Rechtsgebouw. Ik krijg niks mee van wat de vrouw allemaal vertelt.
ha

Ik ren en ren en voel het wapen in mijn jaszak op en neer gaan bij elke stap die ik zet.
Ik ren richting het huis van mam, door de stad, over de grote markt richting van het bolwerk en dan door naar het Zaanenpark, en daar loopt hij met Dex de zwarte labrador van mam.
Ik ren langs hem, hopend dat hij me niet herkent. Maar het is te laat, hij heeft me al gezien en ik heb de eerste klap alweer te pakken. Nu is het genoeg denk ik rits mijn zak open, pak snel het wapen en schiet.
Pang.
Nu gebeurt alles vertraagd. Tristan krijgt een soort schok, de kogel, ergens in zijn buik, vlak onder zijn hart. Hij grijpt naar de plek van de kogel, het bloed vormt langzaam een grote rode plek en dan stort hij neer. Ik sta hier nog steeds, verstijfd met het wapen in mijn hand. Ik kan alleen maar kijken, naar zijn levenloze lichaam op de grond.
Dan dringen opeens de tonen en lichten tot me door. Politie. Overal politie. Ik wordt vastgegrepen en mee genomen.
Ik mag onder begeleiding van de politie thuis nog wat spulletjes halen en word dan meegenomen naar Amsterdam, naar mijn nieuwe ‘thuis’.
Ik geef pap, Meike, Dex en mam nog een grote knuffel en rij dan langzaam weg. Weg van mijn familie, weg van mijn vrienden, weg van mijn thuis, en weg van mijn leven.

Isabella Wils

 

Vlinders vangen

‘Oi’. Genéve schrok op, verloor haar evenwicht en viel op de grond. Zij snoof geërgerd door haar neus. Bijna, bijna had zij er één. ‘Oi’ hoorde zij weer. Zij stond op. Draaide zich om, terwijl zij met één hand haar lange vuil blonde haar uit haar gezicht haalde. Haar grijsblauwe ogen ontmoetten de fel groene van Michiel, Michiel Boterbloem. Ondanks zijn naam was hij Iers, net als zij. Ook hadden zij beiden een rond hoofd, grote oren en een gevaarlijke nieuwsgierigheid. Maar daar stopte hun gelijkenis.
Op deze zomermiddag kwamen zijn rode haar, zijn oranje sproeten en bleke huid meer naar voren dan ooit. Terwijl Genéve geschaduwd was. Haar haar was nu lichter en haar huid gebruind, maar voor de rest was zij nog steeds haar saaie zelf.
‘Oi wat doe je’ dat zei hij in het Nederlands, zij waren allebei tweetalig. Het toeval was nog groter, beiden waren twee jaar geleden hierheen verhuisd. Naar Haarlem om precies te zijn. Genéve twijfelde en wreef ruw over haar wipneus, wat zij nu deed was haar grootste en enige geheim. Michiel keek haar hoopvol aan, als een hond naar zijn baasje. Heeft hij geen vrienden om mee te spelen op deze zomermiddag, bedacht zij. Hij had toch altijd anderen om zich heen? Was zij niet de laatste waar hij aan zou kloppen?
Genéve had nooit veel vrienden gehad, zij was op zichzelf, dwalend in haar eigen wereld. Met haar hoofd in de wolken, zeiden de grote mensen. ‘Oi’ hoorde zij weer. Ïkvangdevlinders’ zei zij snel. “wat” zei hij vragend terwijl hij één wenkbrauw optrok. “Ik vang de vlinders” zei ze terwijl ze tussen elk woord adem nam. ‘Oi’. En nu kon zij niet meer terug, zij had haar geheim verklapt. Verbaasd deed zij een stap naar achter. En nu dacht zij, moet ik nu weglopen? Een hand geven? zij had werkelijk geen idee.
Een blauwe en een gele vlinder vlogen voorbij. Zij keek op, keek toen naar Michiel en weer op. Uit het niets begon hij te rennen, verbouwereerd volgde zij hem. Half struikelend kwam hij vooruit, zij lachte. Was dit dan vriendschap? Of nog niet? Kriskras renden zij door het park, de vlinders achterna. Daar wees zij. ‘Oi’ zei hij. Zij renden sneller, waren dichtbij genoeg en sprongen, met een plons het water in. Nat kwamen zij boven. Genéve sloeg teleurgesteld op het water. ‘Oi’ riep hij plots, met een scheve glimlach. Verbaasd schoot haar wenkbrauw omhoog. hij pakte haar handen en vulde het met water. En daar waren de vlinders gevangen in de weerspiegeling. ‘Oi’ riep zij triomfantelijk uit. ‘OI.’

Esmée van Goinga

Wie is jouw favoriet? Stem nu!

Nooit meer terug – India Zahra
Verandering doet pijn – Maaike Acda
De nachtrit – Bente Wanders
Een nieuw leven – Isabella Wils
Vlinders vangen – Esmée van Goinga

 

Geschreven door India Zahra, Maaike Acda, Bente Wanders, Isabella Wils en Esmée van Goinga