verbindt wie mee wil blijven bewegen


De kraai en de paradijsvogel

Niet zo heel lang geleden, waarschijnlijk ook vandaag en misschien ook wel morgen leefden en leven de vogels zo hun dagelijkse leven. Elk had zijn eigen aardigheid waar hij zich de hele dag mee bezig hield. Zo legde de kip elke dag een ei, waarna ze daarvan triomfantelijk de wereld kond deed. De spreeuwen vlogen dan allemaal op naar de hoogste boom en begonnen erover te vergaderen.

“Vind je die kip ook niet overdreven” zeiden ze dan tot elkaar, “elke dag legt ze een ei en elke dag doet ze alsof het de eerste keer is, wat een aansteller.” Met deze waarneming en opvatting konden ze dan uren bezig zijn. De haan en de pauw maakten ruzie over wie de mooiste was. De haan vond dat hij dat was, met zijn mooi gekromde, veelkleurige staart en vooral ook zijn felrode hanenkam. Trots opende de pauw dan zijn staartveren en paradeerde veelbetekenend, maar zonder woorden om de haan heen. De roerdomp strekte de hals in het riet en probeerde de struisvogel ervan te overtuigen dat niemand haar kon zien. De struisvogel stak de kop in het zand en zei duidelijk, maar onhoorbaar: “ik zie niets, dus ik ben de enige die bestaat. Als jij niet bestaat kan niemand je dus zien. Derhalve ben ik de enige die niet gezien kan worden.” Tegen deze logica was de roerdomp natuurlijk niet opgewassen. In een boom zaten twee gieren te wachten tot er iemand zou sterven, roerloos, met gebogen hals en in het rond spiedend. De kraai kon daar jaloers op wezen, op dat stille geduld en was zeer ontevreden met haar eigen zwarte kleed, onooglijk in eigen ogen.

Op een afgelegen plek in het bos woonde eenzaam een paradijsvogelpaartje. Al langer voelden ze zich verlaten, maar ze durfden er niet goed op uit te trekken om andere vogels te ontmoeten. Na lange tijd overwon het mannetje eindelijk zijn angst en trad met zijn prachtige verenkleedde wereld in. Voorzichtig stappend, schitterend en stalend in het zonlicht. De reactie van de andere vogels was buitengewoon. De kip vergat eieren te leggen, de spreeuwen stopten met vergaderen, de haan en de pauw stopten hun geruzie, de roerdomp liet zich zien en kwam uit zijn overdreven strekking en zelfs de struisvogel haalde zijn kop uit het zand om de meest ingrijpende ervaringen op te doen. De gieren verhieven zich van hun tak en met rustige vleugelslag vlogen ze hoopvol rondjes boven dit tafereel. En de kraai? Die werd zo mogelijk nog zwarter van jaloezie dan die al was. Hij zon op een list en vond er een. Vriendelijk vroeg hij de paradijsvogel of hij diens staart niet van wat dichterbij mocht bewonderen. De laatste stemde verlegen toe en voordat hij er erg in had en tot zijn grote ontsteltenis, had de kraai zich van zijn prachtige staartveren meester gemaakt. Trots stapte ze rond met de kleurige staartveren in haar bek. “Zie eens”, mompelde ze met stijf dicht geklemde bek, “nu ben ík de mooiste”. Natuurlijk hadden de haan en de pauw onmiddellijk in de gaten dat dit doorgestoken kaart was en ze maakten de kraai goed belachelijk. Deze liet de veren in de modder vallen en liep verongelijkt weg.

Daarop nam het leven weer zijn gewone gang. De kip legde weer een ei per dag en kakelde luid. De spreeuwen vergaderden daarover. De haan en de pauw maakten weer ruzie over wie de mooiste was. De roerdomp strekte zich en de struisvogel stak de kop weer in het zand. De gieren zetten zich teleurgesteld weer op hun tak en de kraai was jaloerser dan ooit. En de paradijsvogel? Die trok zich verdrietig terug op zijn afgelegen plekje. Maar het vrouwtje ging op haar nest zitten. Daar legde ze een ei. Ons jong zal waarschijnlijk weer prachtige staartveren krijgen, zei ze hoopvol.

Geschreven door Henk Oortgijs

Henk Oortgijs is vrijeschoolleraar geweest in Zutphen en Deventer

Deze fabel is eerder verschenen in de Lerarenbrieven.

Neem als (oud-) vrijeschoolleraar een abonnement op de Lerarenbrieven voor € 25,- via de redactie