Monique, ben je geworden wie je bent?
Monique Rang is in Amstelveen geboren, op 25 maart 1954. Ze is de oudste in een gezin van drie meisjes. Het jonge gezin woont op dat moment bij opa en oma in huis.
Vanaf haar eerste tot haar vierde levensjaar woont ze in Zuid-Afrika. Daar zijn ook haar twee zusjes geboren, maar echt herinneren doet ze deze periode niet.
Haar eerste herinnering gaat naar de boot, op weg weer terug naar Nederland.
“Mijn vader maakte voor ons alle drie een sjerp, die we om mochten doen. Op de eerste stond Be, op de tweede Ne en op de derde Lux. We zijn met z’n drieën naast elkaar gefotografeerd. Kennelijk was mijn vader trots op de economische unie die zojuist, in 1958, gesloten was en wilde hij dit via zijn drie dochters laten zien”.
In Nederland aangekomen gaat het gezin, vader, moeder en drie meisjes, in Sittard wonen, in een van de huizen die daar door DSM zijn gebouwd. Vader gaat er als chemicus werken.
School
Ik ga daar naar de Protestants Christelijke Kleuter- en Lagere School. De kleuterleidster herinner ik me goed, juffrouw Brandsma, met haar prachtig rood gestifte lippen.
Het was een kwartier lopen van huis. Ik deed dat samen met buurkinderen. De Limburgse kinderen waren katholiek; die zaten op een katholieke school. Zij spraken ook Limburgs. Wij waren import. Wij spraken Nederlands en gingen niet naar de katholieke school.
Dat was duidelijk gescheiden. Op ballet en zwemmen kwam je de andere kinderen wel weer tegen. Ik herinner me dat ik met vriendinnetjes kerkje speelde. Vooral de Eerste Heilige Communie, met mooie jurken aan. Dat was prachtig.
Toen ik 12 jaar was, ging ik naar het Sint Michiellyceum in Geleen. Daar bleef ik maar even. Ik maakte in 1968 de overstap naar De Vrije School in Den Haag. Hierna volgde de Lerarenopleiding M.O. Handenarbeid in Maastricht.
Wat speelde je als kind?
Spelen deed ik het liefst binnen, met poppen. En tekenen. Ik hield heel erg van tekenen. Het schijnt dat ik in Zuid-Afrika een keer ziek was en een paar dagen het bed moest houden en dat mijn vader een plank had gemaakt, die zo op bed gelegd werd, een beetje schuin en steunend op de randen, dat ik daar op kon tekenen.
Met mijn zusjes speelde ik graag “grote meisjes”. We verkleedden ons dan en liepen op hoge hakken en spraken deftig. Bibliotheekje spelen was bij ons ook een geliefde bezigheid. Er werden uitleenpapiertjes in het boek gelegd. Dat boek mocht je meenemen en het werd genoteerd.
Ik had een vriendinnetje met astma. Zij speelde ook veel binnen. Wij maakten in onze fantasie een heel berendorp, waar van alles gebeurde. Ik had ook een vriendje en die had natuurlijk auto’s. Dat vond ik leuk, omdat we met de inhoud van het poppenhuis van zijn zusje hele trektochten en verhuizingen konden maken.
10 jaar en verder
Toen ik bijna tien jaar was, kreeg ik suikerziekte. Dat was toen heel bijzonder. De hele buurt wist het. Ik moest daarvoor ook naar het ziekenhuis. Het is een periode in mijn leven die ik omschrijf als ‘alles leek losgescheurd’. De kinderen in het ziekenhuis spraken Limburgs. Ik verstond ze niet. Mijn zusjes mochten niet bij me komen. Het bracht spanning thuis, vooral bij mijn ouders. Mijn vader bemoeide zich niet met mijn diabetes.
Ik heb me nog nooit zo eenzaam gevoeld
Mijn juf, juf Reijnoudt, kwam op bezoek buiten de bezoekuren, zogenaamd om bijles te geven. Ze had oog voor wat ik doormaakte. Ze was mijn redding. Ze weefde zelf gobelins en schilderde. Zij en haar bezigheden met mij, boden me houvast. Dat had ik zó nodig. Weer terug op school kreeg ik van haar extra aandacht, ook in het schilderen en handwerken. Ik heb in die tijd onder andere een beertje gemaakt uit rechte lapjes, ‘Iboe’ noemde ik die. Ik praatte met Iboetje. Ik kon alles aan hem kwijt. Later is Iboe, toen ik weer eens in het ziekenhuis lag, per ongeluk verdwenen in de wasmand.
Het huwelijk van mijn ouders werd steeds slechter. Het liep uiteindelijk op een scheiding uit. Het was in de tijd dat ik naar de brugklas ging. De verwachtingen van mijn vader aangaande mijn intellectuele ontwikkeling en prestaties waren hoog. Voor mij voelde het als een zware druk. Ik bezocht het lyceum in Geleen, de brugklas en 2 Havo.
Ik herinner me dat ik in de tekenles een prachtige tekening had gemaakt. Een vakantietafereel, vrolijk en met veel kleur. Ik kon goed tekenen. Toen ik daarvoor een 6 min kreeg, voelde ik de grond onder mijn voeten wegzakken. Dat vond ik zo erg…
Mijn werk werd niet gewaardeerd; ik werd niet gewaardeerd. Ik werd er steeds ongelukkiger. Ik werd niet gezien in wie ik was en wat ik kon. Ik was uiteindelijk niemand meer. Er was één lichtpuntje in die tijd: er was een klasgenootje waarmee ik praten kon.
In de pauzes en in vrije uren spraken we met elkaar. Over het leven.
De vrijeschool
Toen mijn ouders uit elkaar gingen, boden een tante en een oom aan dat ik bij hen kon komen wonen en dat ik naar de vrijeschool kon gaan. Hun kinderen, mijn nichtjes, gingen hun hele leven al naar de vrijeschool in Leiden. Als ik bij hen logeerde, zag ik hun schoolschriften en het werk dat ze maakten. Ik hoorde wat ze op school leerden. Prachtig! Dat je dat op school deed!
Op mijn veertiende jaar ruilde ik Limburg in voor Leiden en ging naar de bovenbouw van de vrijeschool in Den Haag naar de achtste klas, bij meneer Van Eijsden.
Ik verliet niet alleen de stad waar ik woonde, maar ook mijn moeder en mijn zusjes.
Ik herinner me dat leraren mij in de allereerste week op de trap in het gebouw aan de Waalsdorperweg aanspraken en mij vroegen: “jij bent Monique, hè? Jij komt toch uit Limburg?” Het waren leraren die mij geen les gaven. Zo maar leraren!
Ze spraken mij aan. Ik werd gezien. Ik was weer iemand.
De spanningen thuis en op school hadden me geremd en als het ware mijn levenslust afgenomen. Toen ik hier op school vakken kreeg als tekenen, toneel, handvaardigheid, zingen (we zongen met een paar honderd kinderen het Requiem van Verdi!), toen pas bleek hoeveel honger ik had. Ik had jaren niet gegeten! Dat je op een toneel mocht staan, een rol mocht spelen… dat leraren dat dan zagen en dat het meetelde in je ontwikkeling en je schoolbeoordeling…
In de tiende klas, herinner ik me, was er een periode poëzie. We hielden ons bezig met dichtvormen, lieten ons hierin uitdagen, worstelden er mee en zochten wegen naar een uiteindelijke objectiviteit. In deze tijd werd er in onze klas veel gesproken over “Waar komen we vandaan en waar gaan we na de dood naar toe?” Het nam zoveel tijd, dat er op een moment een afspraak werd gemaakt, dat hierover in de lessen niet meer mocht worden gesproken. Toen werden er in de avond bijeenkomsten belegd. Daar spraken we verder.
Er kwamen ook leraren. De vraagstukken werden “opgelost”. Het was klaar. Zo voelde het. Wat ik vroeger met een vriendin buiten de school deed, in tussenuren, was hier lesstof.
Zelfs je eigen levensloop wordt op school besproken!
Onderwerpen op het juiste moment oproepen en behandelen of ruimte bieden is helend voor bovenbouwleerlingen, heb ik ervaren.
Beroep
Deze gezonde bloeifase op de bovenbouw van de Vrije School Den Haag heeft de stap naar mijn beroep gevormd. Mijn besluit stond vast: ik wil leraar handvaardigheid worden.
Ik ben MO Handenarbeid gaan studeren, 1e graad. Een studie van vijf jaar. Vervolgens, in Driebergen, een applicatiecursus voor bovenbouwleraar aan een vrijeschool. Ik kwam in aanraking met een groep aanstaande vrijeschoolleraren die op het punt stonden in Nijmegen te gaan beginnen. Ik sloot me aan en solliciteerde. Na een jaar was het meteen volop aan het werk: les geven, leerplan schrijven. Heerlijk.
Maar toen kwam het moederschap. Full time. Dat vond ik heel zwaar. We kregen twee jongens. Ze hebben de hele vrijeschool gevolgd. Eerst in Zwolle, waar de school nog maar net was begonnen. Als ouder en als klassenouder wilden we steun bieden.
Als mijn kinderen naar het vrijeschool Voortgezet Onderwijs gaan in Zutphen, komt mijn inspiratie weer terug. Ik vond helaas geen werk, viel wel hier en daar in, maar ik kreeg geen baan.
Op een dag vroeg een beginnend uitvaartondernemer of ik wilde deelnemen in een gespreksgroep over uitvaart en opbaren. Het kwam zo maar op mijn pad. Ik had er wel oor naar, had er ook tijd voor.
Mijn eigen moeder was nog niet zo lang daarvoor gestorven. Ze was een tijd ziek en toen het zeker was dat ze niet meer van bed af zou komen, heb ik een mooie doek voor haar gekocht. Met de bedoeling die op haar bed te leggen. Ze overleed. Het werd een doek voor in haar kist.
Opbaren met natuurlijke materialen, daar kreeg ik ideeën bij. Ik vroeg me tegelijkertijd af: is dit een beroep en kan ik dit wel?
Mijn oma stierf en ik heb haar opgebaard in een wade van zijde. Het verplegend personeel van het verzorgingstehuis sprak haar bewondering uit over hoe ik dat deed en hoe het er uit zag. Ik besloot hiermee door te gaan. Dit wilde ik wel aangaan. Het wás een beroep.
Het werd een bedrijf. In een flits is ook de naam gekomen: Wikkelgoed.
Droom
In mijn bedrijf ontwerp en maak ik waden, lijkwaden. Het zijn doeken die een overledene waardig kunnen omhullen. Uitvaartproducten van textiel en andere natuurlijke materialen, die het proces van afscheid nemen ondersteunen. De overledene wordt door de wade omhuld, maar niet afgesloten.
De zorg die je bij het omhullen van de overledene toepast is uiterst intiem. Omhullen betekent vouwen. Je vouwt het doek in een visgraat. De overledene blijft zichtbaar.
De bovenkant is open. De lijnen van het doek lopen gekruist over het lichaam. “Kijk naar het hashtag- tekentje, een hekje” (#), zegt Monique. “Het is het teken van afsluiten”.
Het lichaam gaat uit elkaar vallen. We omhullen het, we binden het samen. Van boven is het open. Het is alsof je ermee zegt: de ziel moet er wel uit kunnen.
Het doet mij denken aan de EHBO-lessen van dr. Soesman in de negende klas. Hij zei ons: je moet het verband in een visgraat om de wond binden, dan kan het bloed doorstromen.
Het vouwen moet ook bol zijn, rond. Mensen vouwen soms plat, maar het moet rond zijn. Zoals we de B in de euritmieles rond maakten. “Be” hoort ook bij bollen, bedekken, bevatten, beschermen, behoeden en bewaren. Het is een kwaliteit die in de taal nog steeds bestaat.
De lijkwaden en de hemden worden met de hand en met grote zorg gemaakt.
Een extra element in het vormgeven van mijn ideaal betekent voor mij, dat ik in Nepal of in Bangladesh mensen vind, die stoffen voor me maken. Ik heb op dit moment contact met werkers in de zijde en in de katoen. Ze beschikken over prachtige stoffen, leggen een zorg aan de dag voor wat betreft het weven en vinden op die manier werkgelegenheid en een vorm van bestaan.
Ik leg hierbij de lat hoog. Het moet mooi zijn en esthetisch. Het moet handwerk zijn. Het is een ambacht. Het ambachtelijke hoort bij mij.
De zorg die je aan een wade besteedt, is de zorg die je een overledene meegeeft. Zelfs het strijken, voordat het doek wordt ingepakt om het te versturen, kan je in verbinding brengen met de mens die er straks in komt te liggen. Mensen nemen afscheid van hun geliefde, van hun dierbare. Daar mag ik een stukje aan mee-zorgen.
“Ben je geworden wie je bent, Monique?” is de slotvraag.
Haar antwoord is: “Ik heb er even over kunnen nadenken en met verwondering constateer ik, dat het zo is! Ik had dit nooit kunnen verzinnen, maar ik ben er wel heel erg blij mee.
Monique Rang is in Amstelveen geboren, op 25 maart 1954. Ze is de oudste in een gezin van drie meisjes. Het jonge gezin woont op dat moment bij opa en oma in huis.
Vanaf haar eerste tot haar vierde levensjaar woont ze in Zuid-Afrika. Daar zijn ook haar twee zusjes geboren, maar echt herinneren doet ze deze periode niet.
Haar eerste herinnering gaat naar de boot, op weg weer terug naar Nederland.
“Mijn vader maakte voor ons alle drie een sjerp, die we om mochten doen. Op de eerste stond Be, op de tweede Ne en op de derde Lux. We zijn met z’n drieën naast elkaar gefotografeerd. Kennelijk was mijn vader trots op de economische unie die zojuist, in 1958, gesloten was en wilde hij dit via zijn drie dochters laten zien”.
In Nederland aangekomen gaat het gezin, vader, moeder en drie meisjes, in Sittard wonen, in een van de huizen die daar door DSM zijn gebouwd. Vader gaat er als chemicus werken.
School
Ik ga daar naar de Protestants Christelijke Kleuter- en Lagere School. De kleuterleidster herinner ik me goed, juffrouw Brandsma, met haar prachtig rood gestifte lippen.
Het was een kwartier lopen van huis. Ik deed dat samen met buurkinderen. De Limburgse kinderen waren katholiek; die zaten op een katholieke school. Zij spraken ook Limburgs. Wij waren import. Wij spraken Nederlands en gingen niet naar de katholieke school.
Dat was duidelijk gescheiden. Op ballet en zwemmen kwam je de andere kinderen wel weer tegen. Ik herinner me dat ik met vriendinnetjes kerkje speelde. Vooral de Eerste Heilige Communie, met mooie jurken aan. Dat was prachtig.
Toen ik 12 jaar was, ging ik naar het Sint Michiellyceum in Geleen. Daar bleef ik maar even. Ik maakte in 1968 de overstap naar De Vrije School in Den Haag. Hierna volgde de Lerarenopleiding M.O. Handenarbeid in Maastricht.
Wat speelde je als kind?
Spelen deed ik het liefst binnen, met poppen. En tekenen. Ik hield heel erg van tekenen. Het schijnt dat ik in Zuid-Afrika een keer ziek was en een paar dagen het bed moest houden en dat mijn vader een plank had gemaakt, die zo op bed gelegd werd, een beetje schuin en steunend op de randen, dat ik daar op kon tekenen.
Met mijn zusjes speelde ik graag “grote meisjes”. We verkleedden ons dan en liepen op hoge hakken en spraken deftig. Bibliotheekje spelen was bij ons ook een geliefde bezigheid. Er werden uitleenpapiertjes in het boek gelegd. Dat boek mocht je meenemen en het werd genoteerd.
Ik had een vriendinnetje met astma. Zij speelde ook veel binnen. Wij maakten in onze fantasie een heel berendorp, waar van alles gebeurde. Ik had ook een vriendje en die had natuurlijk auto’s. Dat vond ik leuk, omdat we met de inhoud van het poppenhuis van zijn zusje hele trektochten en verhuizingen konden maken.
10 jaar en verder
Toen ik bijna tien jaar was, kreeg ik suikerziekte. Dat was toen heel bijzonder. De hele buurt wist het. Ik moest daarvoor ook naar het ziekenhuis. Het is een periode in mijn leven die ik omschrijf als ‘alles leek losgescheurd’. De kinderen in het ziekenhuis spraken Limburgs. Ik verstond ze niet. Mijn zusjes mochten niet bij me komen. Het bracht spanning thuis, vooral bij mijn ouders. Mijn vader bemoeide zich niet met mijn diabetes.
Ik heb me nog nooit zo eenzaam gevoeld
Mijn juf, juf Reijnoudt, kwam op bezoek buiten de bezoekuren, zogenaamd om bijles te geven. Ze had oog voor wat ik doormaakte. Ze was mijn redding. Ze weefde zelf gobelins en schilderde. Zij en haar bezigheden met mij, boden me houvast. Dat had ik zó nodig. Weer terug op school kreeg ik van haar extra aandacht, ook in het schilderen en handwerken. Ik heb in die tijd onder andere een beertje gemaakt uit rechte lapjes, ‘Iboe’ noemde ik die. Ik praatte met Iboetje. Ik kon alles aan hem kwijt. Later is Iboe, toen ik weer eens in het ziekenhuis lag, per ongeluk verdwenen in de wasmand.
Het huwelijk van mijn ouders werd steeds slechter. Het liep uiteindelijk op een scheiding uit. Het was in de tijd dat ik naar de brugklas ging. De verwachtingen van mijn vader aangaande mijn intellectuele ontwikkeling en prestaties waren hoog. Voor mij voelde het als een zware druk. Ik bezocht het lyceum in Geleen, de brugklas en 2 Havo.
Ik herinner me dat ik in de tekenles een prachtige tekening had gemaakt. Een vakantietafereel, vrolijk en met veel kleur. Ik kon goed tekenen. Toen ik daarvoor een 6 min kreeg, voelde ik de grond onder mijn voeten wegzakken. Dat vond ik zo erg…
Mijn werk werd niet gewaardeerd; ik werd niet gewaardeerd. Ik werd er steeds ongelukkiger. Ik werd niet gezien in wie ik was en wat ik kon. Ik was uiteindelijk niemand meer. Er was één lichtpuntje in die tijd: er was een klasgenootje waarmee ik praten kon.
In de pauzes en in vrije uren spraken we met elkaar. Over het leven.
De vrijeschool
Toen mijn ouders uit elkaar gingen, boden een tante en een oom aan dat ik bij hen kon komen wonen en dat ik naar de vrijeschool kon gaan. Hun kinderen, mijn nichtjes, gingen hun hele leven al naar de vrijeschool in Leiden. Als ik bij hen logeerde, zag ik hun schoolschriften en het werk dat ze maakten. Ik hoorde wat ze op school leerden. Prachtig! Dat je dat op school deed!
Op mijn veertiende jaar ruilde ik Limburg in voor Leiden en ging naar de bovenbouw van de vrijeschool in Den Haag naar de achtste klas, bij meneer Van Eijsden.
Ik verliet niet alleen de stad waar ik woonde, maar ook mijn moeder en mijn zusjes.
Ik herinner me dat leraren mij in de allereerste week op de trap in het gebouw aan de Waalsdorperweg aanspraken en mij vroegen: “jij bent Monique, hè? Jij komt toch uit Limburg?” Het waren leraren die mij geen les gaven. Zo maar leraren!
Ze spraken mij aan. Ik werd gezien. Ik was weer iemand.
De spanningen thuis en op school hadden me geremd en als het ware mijn levenslust afgenomen. Toen ik hier op school vakken kreeg als tekenen, toneel, handvaardigheid, zingen (we zongen met een paar honderd kinderen het Requiem van Verdi!), toen pas bleek hoeveel honger ik had. Ik had jaren niet gegeten! Dat je op een toneel mocht staan, een rol mocht spelen… dat leraren dat dan zagen en dat het meetelde in je ontwikkeling en je schoolbeoordeling…
In de tiende klas, herinner ik me, was er een periode poëzie. We hielden ons bezig met dichtvormen, lieten ons hierin uitdagen, worstelden er mee en zochten wegen naar een uiteindelijke objectiviteit. In deze tijd werd er in onze klas veel gesproken over “Waar komen we vandaan en waar gaan we na de dood naar toe?” Het nam zoveel tijd, dat er op een moment een afspraak werd gemaakt, dat hierover in de lessen niet meer mocht worden gesproken. Toen werden er in de avond bijeenkomsten belegd. Daar spraken we verder.
Er kwamen ook leraren. De vraagstukken werden “opgelost”. Het was klaar. Zo voelde het. Wat ik vroeger met een vriendin buiten de school deed, in tussenuren, was hier lesstof.
Zelfs je eigen levensloop wordt op school besproken!
Onderwerpen op het juiste moment oproepen en behandelen of ruimte bieden is helend voor bovenbouwleerlingen, heb ik ervaren.
Beroep
Deze gezonde bloeifase op de bovenbouw van de Vrije School Den Haag heeft de stap naar mijn beroep gevormd. Mijn besluit stond vast: ik wil leraar handvaardigheid worden.
Ik ben MO Handenarbeid gaan studeren, 1e graad. Een studie van vijf jaar. Vervolgens, in Driebergen, een applicatiecursus voor bovenbouwleraar aan een vrijeschool. Ik kwam in aanraking met een groep aanstaande vrijeschoolleraren die op het punt stonden in Nijmegen te gaan beginnen. Ik sloot me aan en solliciteerde. Na een jaar was het meteen volop aan het werk: les geven, leerplan schrijven. Heerlijk.
Maar toen kwam het moederschap. Full time. Dat vond ik heel zwaar. We kregen twee jongens. Ze hebben de hele vrijeschool gevolgd. Eerst in Zwolle, waar de school nog maar net was begonnen. Als ouder en als klassenouder wilden we steun bieden.
Als mijn kinderen naar het vrijeschool Voortgezet Onderwijs gaan in Zutphen, komt mijn inspiratie weer terug. Ik vond helaas geen werk, viel wel hier en daar in, maar ik kreeg geen baan.
Op een dag vroeg een beginnend uitvaartondernemer of ik wilde deelnemen in een gespreksgroep over uitvaart en opbaren. Het kwam zo maar op mijn pad. Ik had er wel oor naar, had er ook tijd voor.
Mijn eigen moeder was nog niet zo lang daarvoor gestorven. Ze was een tijd ziek en toen het zeker was dat ze niet meer van bed af zou komen, heb ik een mooie doek voor haar gekocht. Met de bedoeling die op haar bed te leggen. Ze overleed. Het werd een doek voor in haar kist.
Opbaren met natuurlijke materialen, daar kreeg ik ideeën bij. Ik vroeg me tegelijkertijd af: is dit een beroep en kan ik dit wel?
Mijn oma stierf en ik heb haar opgebaard in een wade van zijde. Het verplegend personeel van het verzorgingstehuis sprak haar bewondering uit over hoe ik dat deed en hoe het er uit zag. Ik besloot hiermee door te gaan. Dit wilde ik wel aangaan. Het wás een beroep.
Het werd een bedrijf. In een flits is ook de naam gekomen: Wikkelgoed.
Droom
In mijn bedrijf ontwerp en maak ik waden, lijkwaden. Het zijn doeken die een overledene waardig kunnen omhullen. Uitvaartproducten van textiel en andere natuurlijke materialen, die het proces van afscheid nemen ondersteunen. De overledene wordt door de wade omhuld, maar niet afgesloten.
De zorg die je bij het omhullen van de overledene toepast is uiterst intiem. Omhullen betekent vouwen. Je vouwt het doek in een visgraat. De overledene blijft zichtbaar.
De bovenkant is open. De lijnen van het doek lopen gekruist over het lichaam. “Kijk naar het hashtag- tekentje, een hekje” (#), zegt Monique. “Het is het teken van afsluiten”.
Het lichaam gaat uit elkaar vallen. We omhullen het, we binden het samen. Van boven is het open. Het is alsof je ermee zegt: de ziel moet er wel uit kunnen.
Het doet mij denken aan de EHBO-lessen van dr. Soesman in de negende klas. Hij zei ons: je moet het verband in een visgraat om de wond binden, dan kan het bloed doorstromen.
Het vouwen moet ook bol zijn, rond. Mensen vouwen soms plat, maar het moet rond zijn. Zoals we de B in de euritmieles rond maakten. “Be” hoort ook bij bollen, bedekken, bevatten, beschermen, behoeden en bewaren. Het is een kwaliteit die in de taal nog steeds bestaat.
De lijkwaden en de hemden worden met de hand en met grote zorg gemaakt.
Een extra element in het vormgeven van mijn ideaal betekent voor mij, dat ik in Nepal of in Bangladesh mensen vind, die stoffen voor me maken. Ik heb op dit moment contact met werkers in de zijde en in de katoen. Ze beschikken over prachtige stoffen, leggen een zorg aan de dag voor wat betreft het weven en vinden op die manier werkgelegenheid en een vorm van bestaan.
Ik leg hierbij de lat hoog. Het moet mooi zijn en esthetisch. Het moet handwerk zijn. Het is een ambacht. Het ambachtelijke hoort bij mij.
De zorg die je aan een wade besteedt, is de zorg die je een overledene meegeeft. Zelfs het strijken, voordat het doek wordt ingepakt om het te versturen, kan je in verbinding brengen met de mens die er straks in komt te liggen. Mensen nemen afscheid van hun geliefde, van hun dierbare. Daar mag ik een stukje aan mee-zorgen.
“Ben je geworden wie je bent, Monique?” is de slotvraag.
Haar antwoord is: “Ik heb er even over kunnen nadenken en met verwondering constateer ik, dat het zo is! Ik had dit nooit kunnen verzinnen, maar ik ben er wel heel erg blij mee.
