verbindt wie mee wil blijven bewegen


Op 12 februari is in Den Bosch de grote opening geweest van de tentoonstelling waar méér werken dan ooit van Jeroen Bosch samen zijn gebracht. Op 12 maart is er een prachtige Jeroen Bosch-cursusdag vanuit de Antroposofie Vereniging georganiseerd in het kader van het Jeroen Bosch-jaar bij zijn 500e sterfdag. (Inmiddels vol – zie extra dag.)Een van de meest interessante schilders uit de Nederlanden. Iemand die de Zeven Vrije Kunsten kende, mogelijke meerdere trappen van inwijding had doorgemaakt en in verbinding kan hebben gestaan met de Broeders en zusters des gemenen levens van Geert Groote.

Over zijn bedoelingen heerst wereldwijd tot op heden een intensieve discussie: is hij een trouwe traditionele katholiek geweest of had hij eigenlijk een verborgen meer ketterse boodschap en denkwereld? Volgde hij de nu nog vindbare culturele conventies van zijn tijd of werkte hij vanuit de esoterie en is het een wonder dat de fanatiek-katholieke koning Philips II zo dol op hem was dat hij perse de Tuin der lusten wilde bemachtigen en toen dat gelukt was het schilderij in zijn slaapkamer ophing? En dat het een tijd duurde voordat adviseurs van hem kritische geluiden durfden te laten horen over eventuele spot van Bosch met de Katholieke kerk?

In dit artikel geef ik vanuit de vrijeschool een paar gezichtspunten die iedereen kan ontdekken, daarna probeer ik de publieke controverses aan de hand van voorbeelden in kaart te brengen, en tenslotte noem ik de boeken van enkele auteurs uit antroposofische hoek over hun allicht wat vérgaande, maar misschien toch interessante esoterische interpretatie.

Introductie

Bosch moet in of vóór 1450 geboren zijn in Den Bosch, en stierf in augustus 1516, 500 jaar geleden dus. In  de biografie (voor zover deze bekend is) en in zijn schilderijen zijn aanwijzingen te vinden dat Jheronimus van Aken, zoals zijn echte naam was, een dieper inzicht had op het gebied van de esoterie.

Kenmerkend voor Bosch zijn de duivelse figuren, beroemde monsters, engelen en heiligen die zijn tekeningen en panelen bevolken. Zijn karakteristieke werk, vol illusies en hallucinaties, wonderlijke gedrochten en nachtmerries, verbeeldt onnavolgbaar de grote thema’s van zijn tijd: verleiding, zonde en rekenschap. Werkend in de periode rond 1500, de overgang tussen middeleeuwen en renaissance, weerspiegelen Jheronimus’ schilderijen en tekeningen op raadselachtige wijze de relatie tussen de mens, zijn omgeving en zijn schepper.

De kunstenaar behoort tot de belangrijke schilders van zijn tijd, en zijn werk kreeg navolging bij generaties na hem en inspireert tot op de dag van vandaag nieuwe kunstenaars. Daarom wordt een grote tentoonstelling in het Noordbrabants Museum van 13 februari tot 8 mei georganiseerd. Er komen twintig schilderijen, negentien tekeningen, verschillende drieluiken en beschilderde panelen samen in Den Bosch, op de vermoedelijke plek van ontstaan.

Vier aspecten die je na de periode Middeleeuwen en Parzival zelf kan opmerken

1. Jeroen Bosch wordt ook wel Zwanenbroeder genoemd

Vanuit de periode Middeleeuwen letten we speciaal op dieren. Die hebben vaak een allegorische betekenis. In de Parzival-periode zijn er vier dieren die daarin extra speciaal zijn, en de zwaan hoort daarbij.

In de trappen van inwijding zoals de alchemisten die aanduiden, is de zwaan (na de raaf en de pauw)  het één na hoogste stadium, alleen de pelikaan is hoger. Jeroen Bosch werd in 1488 of iets eerder gezworen lid van de ‘Zwanenbroeders’, de Lieve Vrouwe Broederschap  (in de illustratie op regel 7: “Jheronimus maelder van Aken: lid” ).

2. Jeroen Bosch kende de zeven vrije kunsten

De exclusieve broederschap werd in 1318 opgericht door een aantal Bossche ‘clerici et scolares’ (geestelijken en aspirant-geestelijken) ter ere van de Illustere Lieve Vrouwe ofwel Maria. Aanleiding daarvoor was de opkomende Mariaverering in de stad. De leden waren vooraanstaande katholieken. Ze baden voor elkaars zielenheil en vereerden samen Maria in hun eigen kapel in de Romaanse Sint Jan, die gewijd was aan Johannes de Evangelist. Hij heette vanouds de Zwanenbroederskapel, nu Heilige Sacramentskapel.

Hieruit kan worden afgeleid dat Jeroen Bosch een ‘goed katholiek’was (of leek!), en dat hij hoogstwaarschijnlijk de scholing van de zeven vrije kunsten heeft doorlopen. Gezworen broeder werd men uitsluitend op uitnodiging en men moest minimaal de kruinschering hebben ondergaan. Zo schreed Jeroen Bosch dus elke week met meer dan vijftig andere notabelen, waaronder leden van de adel, op dinsdagavond naar de vespers, en op woensdagmorgen naar de heilige mis in hun rijk versierde kapel. Iemand van de gevestigde orde. [1]

3. Zwanenridder?

Voor de betekenis van ‘zwanenbroeder’ kunnen we wellicht te rade gaan bij de ‘zwanenridders’. De legende van de Zwanenridder speelt ook in Den Bosch, net als in bijv. Nijmegen en Wageningen. Zo’n zwanenridder kennen we uit Parzival. Hij kwam de rivier afvaren in zijn bootje, getrokken door een zwaan. Hij hielp iemand in nood  die hem niet naar zijn ‘ware naam’ mocht vragen, d.w.z. naar zijn geestelijke afkomst. Helias en Lohengrin, beiden Zwanenridders, waren in staat te horen waar hulp nodig was en toonden zich bereid om onzelfzuchtig een hoger doel te dienen. Zij waren ingewijden op het niveau van de ‘inspiratie’. Was Jeroen Bosch ook op die hoogte ingewijd en voelde hij zich geroepen door een geestelijke opdracht, waarvan  de herkomst niet openbaar mocht worden gemaakt?

Je kunt ook denken aan

Witte zwanen, zwarte zwanen, wie gaat er mee naar Engel-land varen?

4. Andere alchemistische stadia van inwijding in ‘Johannes op Patmos’

Er is meer dan het alchemistische stadium van de zwaan. Iemand die de geestelijke wereld vooral vanuit de studie kende, werd een ‘raaf’ genoemd en stond op de eerste trap van inwijding. De ‘pauw’ kon via zijn geopende ‘ogen’ de beelden van de geestelijke wereld lezen (imaginatie), de ‘zwaan’ kende, zoals gezegd, de weg tussen hemel en aarde en kon de boodschappen van boven beluisteren (inspiratie), en de pelikaan kon handelen in de geestelijke wereld (intuïtie).

De raaf en de pelikaan komen voor op één van de ca. 25 drieluiken en schilderijen die bewaard zijn gebleven. Ook pauwen zijn er te zien, maar die vallen pas op als je er langer naar zoekt.

Ik neem je mee naar één paneel, getiteld Johannes op Patmos.  Bosch heeft het vermoedelijk op latere leeftijd geschilderd. Het zou heel goed op het altaar van de zwanenbroeders gestaan kunnen hebben. Bosch schilderde altijd op eikenhout. Zijn schilderijen waren bedoeld om op een altaar of een meditatietafel te zetten. Vaak was het een twee- of een drieluik en stond het normaal in gesloten vorm. Dan zag je de zgn. buitenpanelen, vaak in grijstinten, ‘en grisaille’ geschilderd. Op hoogtijdagen werd het veelluik geopend en zag je de kleurige binnenschildering.

Op het buitenpaneel staat in de middelste ‘tondo’ – niet te missen, en vrijwel dagelijks te zien, behalve op hoogtijdagen – een pelikaan.

De pelikaan is een Christussymbool. Hij gebruikt zijn eigen bloed om zijn jongen te voeden. In deze grisaille is hij afgebeeld in een landschap dat nogal gemaniëreerd  de vier elementen aarde (de merkwaardige rots), water, lucht en vuur laat zien. Vooral het vuur staat er zó merkwaardig in dat het ook bij oningewijden vragen oproept: wat zou hier bedoeld zijn, om welke allegorie gaat het hier?

‘Vrijeschools’ zou je kunnen zeggen: Christus (de pelikaan) is op aarde (de vier elementen) gekomen. Een traditionalist heeft geen bezwaar tegen een bekend Christussymbool, een esoterist gaat nu opletten.

Het kleurige binnenpaneel van het schilderij toont iets interessants. Met enige goede wil kun je de vogel linksonder qua poten een ‘raaf’ noemen, terwijl hij de snavel van een adelaar heeft, zoals we weten het attribuut van Johannes. Raaf en adelaar ineen. Esoterie en traditie in één vogel. Verder zijn zowel de schorpioen (rechts) als de adelaar (links) de symbolen van Johannes de evangelist.

Linksboven is de kosmische Maria te zien, in een ‘andere wereld’, zittend op de maansikkel, bekleed met de zon en omkranst met sterren, een beeld uit de Openbaring die Johannes schreef. De engel in het midden, die Johannes tot het zien van zo’n visioen in staat stelt, is van hoge rang, getuige de meerdere vleugels. Zo’n onderscheid maakten niet alle schilders, alleen zij die meer dan eenvoudige gelovigen wisten, de esoterici en de goed ingevoerde traditionalisten.

Op de lange, dunne boom rechts gaan de meeste auteurs niet in, maar hij roept wel vragen op…zou hij allegorisch zijn voor de verbinding van hemel en aarde? Ik kom er zo op terug.

Ziener of lezer? Voorbeelden uit de wereldwijde discussie

Veel van de meterslange Bosch-literatuur bestaat (behalve uit waarnemingen en enkele bronnen) uit hypothesen en discussie, want met zekerheid is er weinig te zeggen. Die discussie gaat in grote lijnen tussen degenen die wél uitgaan van mededelingen over de geestelijke wereld in de een of andere vorm, de esoterici (met in hun kielzog ook de fantasten), en de traditionalisten (al of niet beargumenteerd). Jan Romein en Annie Romein-Verschoor nemen in Erflaters van onze beschaving een fraaie middenpositie in:

Wanneer wij de geest van Bosch in één woord zouden moeten samenvatten, dan zou het zijn: een ziener. Maar dan met aftrek van alle hoogdravendheid, die dit woord zo gemakkelijk aankleeft en met inbegrip van zijn meest directe betekenis. Bosch was een man-die-zag, een van de eerste grote dragers van dat meest eigen aandeel in de Europese beschaving van het Nederlandse volk: de kunst van het waarnemen. Een kunst die zich al te vaak voordoet als een banale boekhouding der werkelijkheid, maar die zich in Bosch in zijn hoogste potentie vertoont. Jeroen zag en onder zijn blik werden de dagelijkse vormen en gebaren van dingen en mensen tot de uitdrukking van hun zin en wezen. Hij nam waar en het waargenomene groeide in hem tot het ontstellend beeld van het onzienlijke. Hij was een man die zag en een ziener.

Eric de Bruyn is een exponent van de traditionele interpretatoren. Hij liet in 2001 een populaire uitgave van zijn proefschrift verschijnen: De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch. Hij zou over de boom kunnen zeggen: heb je wel gezien dat hij helemaal geen zijtakken heeft? Dat hij ook bovenin bepaald niet vitaal is te noemen (net zoals het landschap om Johannes heen)? Moet je hem niet eerder negatief interpreteren, als een beeld voor de duivel die ook hier er boven op wil zitten? Voor De Bruyn ligt de boodschap van Jeroen Bosch er dik bovenop:

Voor wie vertrouwd is met de allegorische beeldentaal, (geloofs-)cultuur en literatuur van de late middeleeuwen, is de stichtelijke, om de keuze tussen Goed en Kwaad cirkelende boodschap die deze schilder brengt, vrij gemakkelijk herkenbaar als traditioneel-christelijk.

De Bruyn geeft verklaringen van ruim 80 symboolmotieven en onderzoekt in zijn dissertatie het personage van de marskramer/de landloper/de verloren zoon, dat Jeroen Bosch driemaal heeft afgebeeld. Hij duidt de figuur na gedegen onderzoek positief. De Bruyn analyseert ook de binnenpanelen van het Hooiwagen-drieluik. (Dit is overigens het drieluik dat het Blazersensemble als decor gebruikte in het nieuwjaarsconcert.)

Hierin kan men volgens De Bruyn een dubbele rode draad herkennen: enerzijds de aardse ijdelheden en vleselijke genoegens waarmee de duivel de tot zondigen geneigde mens probeert te verleiden, en anderzijds de onmetelijke liefde van Christus die zich heeft opgeofferd aan het kruis om elke oprecht berouwvolle zondaar in het hiernamaals een vreugdevol leven te kunnen schenken. Ook voor de marskramers/landlopers/verloren zonen is de verlossing steeds binnen handbereik, hoe groot de zondenlast ook is, of hoe laat de bekering en het berouw ook plaats vinden. Deze boodschap bevat geen revolutionaire of hermetische, laat staan ketterse elementen.

Voor De Bruyn heeft Jeroen Bosch geen hallucinerende middelen of fantasie gebruikt, laat staan dat hij helderziend was.  De duivelschilder baseerde zich volgens De Bruyn louter op eigentijdse afbeeldingen en teksten:

Bosch’ helletaferelen vertonen verwantschap  met middeleeuwse visionaire teksten, waarin onder meer beschrijvingen van de hel en het vagevuur voorkomen.

Ik beperk me verder tot de esoterici, want de duiveltjes, demonische figuren, allegorieën en de hele opbouw van zijn schilderijen getuigen echt wel van geopende ‘pauwenogen’ bij Bosch. De traditionalisten kom je tegen in de gewone publicaties bij de tentoonstelling.

Mark Mastenbroek noemt Jeroen Bosch een magiër en ingewijde

Géén kunstenaar uit het verleden maakt naar mijn overtuiging met meer recht aanspraak op de titel magiër of ingewijde dan Hiëronymus Bosch.

Maar Mastenbroek vond bij Rudolf Steiner tegen zijn verwachting in geen ondersteuning voor deze overtuiging. Het enige dat hij over Jeroen Bosch zei tijdens zijn dialezingen, gebundeld onder de titel Kunstgeschichte als Abbild innerer geistige Impulse, was dat hij het kamaloka heeft uitgebeeld en dat zijn voorstellingen vooral spookachtig zijn.

Zo schrijft de Amsterdamse vrijeschoolleraar kunstgeschiedenis Mark Mastenbroek in zijn recensie van Ketterij en esoterie in het werk van Jeroen Bosch door Lynda Harris, waarvan de vertaling door Christofoor werd uitgegeven in 1996. Mastenbroek is het niet eens met de traditionalisten, maar noemt de anderen ook speculatief:

Rond 1500 hadden, zeker in Vlaanderen en de Zuidelijke Nederlanden, alle schilders en beeldhouwers een moraliserende boodschap, die door de kerk werd gedicteerd en dus zonder al te veel moeite te ontdekken viel. Bij Bosch zoek je vergeefs naar die bekende betekenissen. Je kunt je verdiepen in de schilderkunstige symbolen uit zijn tijd, maar zonder resultaat. Bosch’ symbolen zijn niet alleen talrijker, zij leveren in hun totaliteit nooit het coherente verhaal op dat het werk van zijn tijdgenoten kenmerkt. Hoewel Bosch ogenschijnlijk lijkt te voldoen aan kerkelijke verlangens door bijbelse taferelen te schilderen, vermoed je al snel dat zijn voorstellingen naar een heel andere regie luisteren.

Vandaar dat sommige Bosch-kenners van tegenwoordig, opperen dat zijn beeldentaal is ontsproten aan de gedachtenwereld van mystieke ketterse genootschappen. Sommige kunsthistorici denken daarbij aan de rozenkruisers, andere zoeken hun heil bij late, uit de leringen van Geert Groote en Ruusbroec voortgekomen broederschappen Des Gemeenen Levens. Hoewel hun gezichtspunten beslist interessant zijn, blijven ze ook speculatief.

Ketterij en esoterie – Lynda Harris en Teun de Vries in de lijn van Fränger

Lynda Harris (1995) beargumenteert dat Bosch de bedoeling had in zijn werk een dubbele betekenis te leggen: achter een verhullende laag van traditioneel-katholieke moraal portretteert hij de visie van de Katharen, de middeleeuwse gnostische en dualistische ketterij. Dat Bosch iets met de katharen had, is wel eens eerder verondersteld, maar nooit nog werden zijn schilderijen hierop zo grondig onderzocht als de Schotse Harris dat deed. Mastenbroek:

Katharen werden tegen de zestiende eeuw geacht niet langer te bestaan. Maar Harris krijgt het voor elkaar om dankzij historisch onderzoek aannemelijk te maken, dat toen in verschillende delen van Europa wel degelijk kathaarse groeperingen leefden. Bovendien weet zij in de wirwar van ketterse stromingen een weldadige ordening aan te brengen. Ondanks de talrijke verschillen in leerstelligheid tussen katharen, bogomielen, albigenzen, patarini, zervanieten, paulicianen, messalianen, manicheërs en gnostici, valt er één historische lijn door deze veelvoud te trekken: Al die stromingen bezaten door de eeuwen heen dezelfde dualistische visie op mens en wereld.

De katharen dachten dualistisch: stof en geest zijn volstrekt tegengesteld. De mens moet dan ook kiezen tussen gebondenheid aan het aardse duister en geestelijke verlichting. Met de katholieke kerk heeft Bosch, ondanks zijn lidmaatschap van de Broederschap van de Zwaan, niets op, zegt Harris, want door in Jezus menselijke kanten te zien, mengt de katholieke kerk licht en duister. Dit onorthodoxe denkbeeld moest Bosch wel verhullen in symbolen, zodat het alleen begrepen kon worden door gelijkdenkenden. Elk detail in Bosch’ vaak zo bizarre schilderijen blijkt volgens Harris te doelen op een aspect van het kathaarse streven naar de geest of de katholieke verduistering van de weg naar het licht. Mastenbroek:

Deze, oorspronkelijk uit het Perzië van Zarathoestra stammende denkrichting, gaat ervan uit dat de goddellijke wereld en de aardse werkelijkheid volstrekt los van elkaar staan. De aarde wordt beschouwd als door en door slecht. De eerbiedwaardige god van Genesis en de wraakzuchtige, nationalistische Jehova uit het Oude Testament kunnen derhalve niets anders zijn dan emanaties van de Satan. Mens en wereld staan in die dualistische visie altijd onder diens naijverige wetten. Christus was daarentegen een absolute vreemdeling op aarde, want hij was een personificatie van het Licht. In een wereld van geestelijke duisternis kon hij alleen genegeerd of vernietigd worden. Maar niet alleen de natuur, de schepping zelf, doch alles wat in deze kwaadaardige wereld succes, macht en aanzien genoot, was deel van het slechte. Dus ook de kerk. De Paus was de Antichrist.

De mens ontkwam in zijn bestaan op aarde evenmin aan die dualistische natuur. Zijn lot dwong hem zijn unieke geestelijke lichtkern te verloochenen. Doordat hij het vege lijf en zijn primaire levensbehoeften veilig moest stellen, en bovenal omdat zijn begeerte werd aangewakkerd door de verlokkingen van macht, lust en status.

Wanneer men met deze blikrichting opnieuw het werk van Bosch beschouwt, ontstaat beslist meer duidelijkheid. In ieder geval is er één onmiskenbaar punt van overeenstemming. Bosch’ wereld is, inclusief al haar heiligen, paters en pausen, fundamenteel ziek. Hier heersen de vorsten van het kwaad, hun menselijke trawanten in hoge posities en hun demonen die lucht, vuur en water onveilig maken.

Maagdenbron

Zonder tot leerstelligheid te vervallen, weet Lynda Harris ook details in werken van Bosch een zinvolle plaats te geven. De overal op een verborgen plek aanwezige uil als symbool van Jehova, de Satan, ondersteunt de visie dat hij zijn ganse schepping beheerst en gadeslaat vanuit een verborgen hoek. De gotische fonteinen, die op veel afbeeldingen van Bosch de oerbron van de vier grote rivieren in het paradijs voorstellen, zijn bronnen van wellust; de beelden op hun sierlijke flanken zijn demonen. Bovendien staan zij op een berg van modder. In dat slijk zijn ook de juwelen gevallen die de menselijke zielen bij hun incarnatie hebben verloren. In de manichese traditie werd de lichtkern van de mens beschouwd als een edelsteen. Bij verschillende personen op de schilderijen van Bosch is deze ook nog eens onwrikbaar in een metalen schild op hun kleding of wapenrusting gevat. Ofwel: de mens is muurvast in de aardse wetten geklonken en in moreel opzicht uitgeschakeld.

Geen van de ruiters die op het middenpaneel van Bosch meest bekende schilderij, De Tuin der Lusten, op fabeldieren rond een vijver rijden, slaat de blik ten hemel. Niemand zegt de magische kring vaarwel of slaat een eigen weg in. Wat zouden zij ook? In het zich eeuwig verjongende water zwemmen meisjes verleidelijk rond. Rijden was in Bosch’ tijd niet alleen een metafoor voor de geslachtsdaad, de hele uitzinnige vertoning wordt tot een symbool van het rad van geboorte, dood en nieuwe geboorte. Geloof in reïncarnatie was in alle ketterse stromingen gemeengoed. En zo is deze vitale rondedans die het menselijk bestaan in stand houdt, het gevolg van de altijd weer opflakkerende hunkering naar de lusten van de stoffelijke wereld. De manicheërs identificeerden dit rad tevens met de dierenriem die de menselijke geest na de dood opneemt in de astrale wereld en vervolgens weer doet terugverlangen naar een aards lichaam.

Zowel de katharen als de manicheërs beschouwden de gangbare deugden van huwelijk, het krijgen van kinderen en de doop dan ook als vangnetten waarin de vorst der duisternis zijn kudde verstrikt houdt. Achter deze huichelachtige façade worden liederlijkheid en moordlust aangewakkerd. Je hoeft niet lang in het werk van Bosch te zoeken om die visie bevestigd te zien. Zelfs het paradijs op het linkerpaneel van De Tuin der Lusten is een bedrieglijk oord waar monsters rondkruipen, waar Adam reeds op ongunstige wijze naar de zojuist door een dubieuze god geschapen Eva loert en waar de wijnrank die zich rond de vervaarlijke boom achter Adam slingert, het symbool is voor de vergetelheid, de roes, die de mens zijn ware natuur doet veronachtzamen, vóórdat hij bij zijn geboorte het aardse rijk betreedt. De platte, gewichtloze wijze waarop Bosch zijn menselijke figuren afbeeldt, versterkt het vermoeden dat zijn taferelen zich veelal afspelen in regionen waarin de ziel voor de geboorte of na de dood vertoeft.

Zie de witte figuur die naar boven wijst, uiterst linksonder

Lynda Harris wijst erop dat hier en daar een enkeling in een veronachtzaamd hoekje, ontsnapt aan de mallemolen van verdwazing. Op datzelfde drukke middenpaneel van de Tuin der Lusten bijvoorbeeld, staat linksvoor een witte figuur die hemelwaarts wijst, alsof hij de blik van de omstanders op een ander perspectief wil richten. Overigens vergeefs, want men begrijpt hem kennelijk niet. Volgens Harris is hij een van de schaarse perfecti, die binnen de kathaarse traditie de geestkracht bezaten om aan de eeuwigdurende misleiding te ontsnappen. En dat zou in dit geval best kunnen.

Tot zover Mastenbroek. Wel verhelderend, maar met betrekking tot de katharen en de gelijktijdig optreden Bogomielen waarover Harris schrijft, niet kritisch genoeg. Ze heeft te weinig oog voor de positieve kant van het kwaad. Ik ben het dan ook grondig eens met hem dat er het nodige is af te dingen op de theorie van Lynda Harris: hoe heeft onze duivelskunstenaar  kunnen ontkomen aan de brandstapel? Want de kerkelijke prelaten tot en met de Paus worden steeds negatief weergegeven, dat kan iedereen zien. Op de Verzoeking van de Heilige Antonius staat bijvoorbeeld een prelaat getooid met een varkenssnuit die leest uit een gifblauw toverboek, terwijl de inspiratie voor zijn preek hem door demonen wordt ingeblazen. Een zwerm insecten verlaat zijn onderbuik. Zijn aardbei-arm stempelt hem tot een burger van Sodom en een gat in zijn verteerde gewaad onthult zijn ware gedaante: een etterig bloedend geraamte. En wie wat beter kijkt ontdekt op de Aanbidding van de drie koningen de Anti-Christ in de bouwvallige stal! Mastenbroek:

In deur-opening de ‘Anti-Christ’

Hoe is het mogelijk dat niemand in Bosch’ bisdom protesteerde?Kwam het omdat Bosch door zijn huwelijk met de rijke Aleid van Mervenne ver boven zijn stand werd verheven en daardoor onkwetsbaar werd? Kwam het door zijn uiterlijk conservatieve levenswandel die hem ook als trouw kerkganger schetst? Was dat genoeg?

Of was het picturale in plaats van het verbale voldoende dekmantel? Of de kracht van de humor?

Harris gaat ook wat gemakkelijk uit van de onnozelheid van koning Filips II van Spanje, een vurig katholiek, die werken van Bosch verzamelde. Het lijkt mij ondenkbaar dat het conservatieve Spaanse hof met haar hooggekwalificeerde inquisiteurs de beelden van Bosch zomaar als ongevaarlijke Belgenmoppen zou laten passeren. Was Filips II misschien heimelijk een ketter, terwijl hij naar buiten toe in Europa juist de heilige Stoel te vuur en te zwaard verdedigde?

Lynda Harris borduurt voort op een door Wilhelm Fränger in 1947 uitgezette lijn, die meende dat het werk van Bosch vol zit met gecodeerde boodschappen die door zijn opdrachtgevers werden getolereerd of zelfs beaamd. Het kan niet zo zijn dat hij zelfs zijn mede-Zwanenbroeders een rad voor ogen zou hebben gedraaid. Fränger creëerde het beeld van Jeroen Bosch als de duivelschilder. Een fascinerende figuur die de angsten van middeleeuwers wist om te zetten in donkere hellescènes en werelden vol bizarre, angstaanjagende monsters. Wilhelm Fränger is het ook die heeft geprobeerd te bewijzen dat Jeroen Bosch de ketterse ideeën van de Broeders en Zusters des gemeenen levens of Adamieten over de paradijstoestand van de mens weergaf in zijn Tuin der lusten.

jb15

Dit beeld van Fränger inspireerde Teun de Vries in Het raadselrijk- de roman van een schilder, eerder gepubliceerd als Moergrobben (1964). Hij lichtte het toe in een interview met Ernst Baas. Maar Teun de Vries benadrukt dat hij fictie heeft geschreven, hij claimt geen waarheid over Jeroen Bosch, en noemt zijn hoofdpersonage dan ook anders. De Haagse vrijeschoolleraar Matthieu Laffree bracht de portee van Moergrobben graag in verband met de antroposofie.

Opnieuw: zwanenridder en graal

René Zwaap vroeg zich af in een artikel in de Groene Amsterdammer bij het vorige Jeroen Bosch-jaar, 15 jaar geleden, of Jeroen Bosch nu een ‘ketter of een super-paap’ genoemd moet worden. Hij gaf een goed overzicht van de toen bekende theorieën. Daarin komt ook de zwanenridder ter sprake.

Uitgebreide geluiden uit de esoterische hoek liet architect en spiritueel georiënteerde monumenten-activist Jan van der Eerden horen in zijn boeken De stad als spiegel van de kosmos (1997) en Een middeleeuwse stad vol gulden energie (2012). Van der Eerden heeft een mystieke visie op de wonderen die aan zijn geliefde stad Den Bosch zijn verbonden, inclusief die van het ontstaan van het werk van Jeroen Bosch. Via de sage van Lohengrin, de graalmystiek en tal van andere oud-middeleeuwse elementen, komt Van der Eerden tot de conclusie […] dat de Zwanenbroeders en dus ook Jeroen Bosch de rechtmatige opvolgers van de graalridders en de orde der tempeliers zijn, en is het geen toeval dat de schilderijen die de wereld nog altijd verbijsteren, uitgerekend tot stand kwamen in een op het eerste oog zo onbetekenende stad als ‘s-Hertogenbosch.

In zijn eigen woorden:

De Markt van ‘s-Hertogenbosch als knooppunt van
een hexagram en banen van aardenergie (gestippeld)

Gestichte middeleeuwse steden zijn niet zomaar gegroeid zoals verouderde opvattingen uit de Romantiek ons willen laten geloven. Vanuit een spiritueel denken werden zij bewust ontworpen en vormgegeven.

In de ontworpen structuur van ‘s-Hertogenbosch is daardoor niet alleen de wereldvisie van de apostel Johannes en de gnostiek van de katharen herkenbaar, maar als erfenis ook het denken van Kelten, Grieken en Romeinen. Vergelijking van ‘s-Hertogenbosch met de vorm en de historie van andere zowel dichtbij als veraf gelegen steden, dorpen en landschappen, leidt tot verrassingen die zich in de stad laten herkennen in namen van straten, huizen, andere gebouwen en zelfs patroonheiligen.

Deze moderne manier van waarnemen leidt ook tot het begrijpen van mythen en sagen, plaatselijke legenden, sprookjes en kinderspelen. Het bewust worden van deze verbanden wijst tegelijk de weg naar hoe moet worden omgegaan met de gebouwde erfenis van onze cultuur en hoe de ernstige fouten uit het nabije verleden in de toekomst kunnen worden vermeden.

Twee antroposofen die Bosch in het licht van Rosenkreuz beschouwen

Vanuit de antroposofie blijken minimaal [2] twee auteurs boeken over Jeroen Bosch geschreven te hebben. Maar dan verlaten we het niveau van de vrijescholieren. Als mogelijke blikrichtingen vind ik ze zelf heel interessant, maar waar de vaak stellige en apodictische duidingen vandaan komen, wordt niet  altijd duidelijk bij de eerste lezing en hoogst zelden bij de tweede.

Van de Nederlander Clement Wertheim-Aymes verschenen:

  • Hieronymus Bosch, eine Einführung in seine geheime Symbolik. Amsterdam [Van Ditmar], 1957
  • Die Bildersprache des Hieronymus Bosch. Den Haag [Van Goor], 1961

Hij analyseerde het befaamde drieluik De tuin der lusten als het verslag van zijnstoestanden van na de dood, en stelde dat Bosch een rozenkruiser moet zijn geweest. De eerder genoemde Lynda Harris bouwt voort op zijn werk. De kijkroute die hij neemt vind ik erg overtuigend: van rechts naar links, van de terugblik op het eigen leven en de confrontatie wat men in zijn eenzijdigheden de anderen heeft aangedaan, naar de hogere planetensferen.

Catharina Barker schreef in het Duits een rijk geïllustreerde trilogie van meer dan 400 bladzijden over De tuin der lusten. Heel precies duidt ze alle details, met mooie detailfoto’s ernaast. Er staat vaak niet bij hoe ze aan die duiding komt. Dat is jammer, want het zou afhankelijk en onvrij kunnen maken, en dat kan van geen enkele antroposoof de bedoeling zijn.

De geboren Rotterdamse Barker studeerde Indo-Iraanse talen en cultuur (Sanskriet) en daarna euritmie. Ze werkte 14 jaar in het Goetheanum-ensemble. In de heilpedagogie aan het Bodenmeer ontmoette ze Willi Seiss die ze assisteerde bij zijn lezingen en werk als uitgever van Valentin Tomberg. Hij maakte zich kwetsbaar en niet bij alle antroposofen geliefd door resultaten van eigen esoterisch onderzoek te publiceren, met name naar de samenhang van de chakra’s vanuit christelijk gezichtspunt. Hij stichtte een Vrije Hogeschool, nu Freie Hermetisch-christliche Studienstätte am Bodensee geheten, die Barker leidt na het sterven van Seiss. Samen met hem begon ze het onderzoek naar Jeroen Bosch. Barker noemt Bosch evenals Wertheim-Aymes een rozenkruiser-schilder.

Ter afsluiting

Bosch’ oeuvre lijkt, zo stelt Mastenbroek in zijn recensie van Lynda Harris, te getuigen van een heel bepaald soort helderziendheid. Mogelijk geïnspireerd door ketterse of specifiek Rozenkruisers-gezichtspunten.

Maar hoe dan? Werd zijn penseel ‘geleid’? Of werkte Bosch bewust zijn geheimtaal uit? Wie zal het zeggen? En: doet het er eigenlijk wel zo veel toe? Het is uiteindelijk alleen de visionaire, door niemand geëvenaarde kwaliteit van de taferelen zelf die het formaat van Bosch’ werk bepaalt, niet de theorie.

Dus óp naar de tentoonstelling, vertrouw  op je eigen onderzoek en gedachten. Een mening kan later altijd nog worden gevormd, eerst kijken!

Noten

  1. Tegenwoordig is 'Zwanenbroeder' een eretitel waarvoor alleen vorstelijke personen in aanmerking komen. Ook bijv. Prinses Juliana en Prins Claus waren Zwanenbroeders. Onder de huidige leden Prinses Beatrix, Prinses Irene en Koning Willem-Alexander. Zij zijn de enigen die tegenwoordig deze titel mogen voeren.

Meer achtergronden

  • Het SintJansfeest    

    Voor de volwassene bieden de natuur en de feesten een innerlijk meebeleven en persoonlijke groei


  • Hoog laait het vuur

    Tijdens de midzomerzonnewende zijn de krachten van de zon en het vuur van de aarde op hun hoogtepunt. En het vuur in jezelf?


  • Het Noorderlicht – een reis naar het Noorden waard

    Het begint met de zonnewind.


  • Vaccineren, ja of nee?

    Bespreek je angsten met elkaar en vraag je af waar je eigenlijk bang voor bent


Alle achtergronden 

Meer nieuws

  • 07 juni 2016

    Zaai nú mee voor morgen – campagne RED DE BIJ is begonnen


  • 28 mei 2016

    Vrijeschool Parcival uit Hoorn is Cultuurschool van Noord-Holland 2016


  • 28 mei 2016

    Vrije School Parcival geeft klas 3-6 wekelijks les op instrumenten zoals viool, hoorn en slagwerk


  • ggc8

    22 mei 2016

    Wolken zijn de voetstappen van God – verhalen geïnspireerd door Laurens van der Graaff


Nieuwsarchief 

Meer activiteiten

    Volledige agenda